Recensie

Ergens tussen de vogelstront gloort de schoonheid

Vogels cirkelen boven de Chincha-eilanden voor de kust van Peru. En de mens strijdt om hun poep, ‘guano’, die buitengewoon vruchtbaar is. In The Colony heeft Dinh Q. Lê dit vreemde, wrang-poëtische idee prachtig gevangen.

Beeld uit de video-installatie The Colony van Dinh Q. Lê.

Vogels worden vaak beschouwd als het symbool voor vrijheid en vliegen – maar ze produceren ook een enorme hoeveelheid stront. Dit idee, die spanning, is het fundament onder de bijzondere vier-scherms video-installatie The Colony van Dinh Q. Lê die nu in Museum Boijmans is te zien – en die ook gaat over geschiedenis, over macht en over de spanning tussen natuur en mens.

De film is gedraaid boven de Chincha-eilanden voor de kust van Peru, waar zich al eeuwen grote vogelkolonies verzamelen. Die laten op de kale, rotsachtige eilanden een enorme hoeveelheid poep achter, ‘guano’, die buitengewoon vruchtbaar is. Daardoor ontstond er in het midden van de negentiende eeuw een strijd om de eilanden: Britse kooplieden zetten Chinese arbeiders in om de stront te winnen, Spanje bezette de eilanden en de Verenigde Staten stelden zelfs het zogenaamde Guano Islands Act in, waarmee ze een claim legden op alle onbewoonde eilanden ter wereld waar guano aanwezig zou zijn, op die manier het eigendom op maar liefst honderd eilanden opeisend.

De mens strijdt om de stront. En ondertussen cirkelen de vogels boven de eilanden. In The Colony heeft Lê dit vreemde, wrang-poëtische idee prachtig gevangen. Dat begint ermee dat hij heel slim gebruik maakt van drones – die trouwens, als je erop let, steeds vaker in de beeldende kunst opduiken – waarmee hij de vogelblik perfect kan nabootsen.

Vanuit het vogelperspectief zien we op het eerste scherm van de installatie de eilanden, de zee, de duizenden vogelnesten voor de kust – en al gauw komen de laatste arbeiders die nog guano winnen in beeld, een soort tragische dolende zielen, want het spul wordt nog naar weinig gebruikt sinds de kunstmest werd uitgevonden. Alles is kaal, hard en aantrekkelijk romantisch-ruig, tot, als je goed kijkt, in een hokje van het beeld ineens drone in beeld verschijnt – ongetwijfeld een van de drones die Lê gebruikte om mee te filmen. Dat is het kantelmoment: ineens besef je dat die beelden waaraan je je zojuist nog zat te verlekkeren niet neutraal zijn, dat ze zijn vervaardigd en dat het proces van vervaardiging, van productie, ingrijpt in wat er al was. Dat lijkt meteen de kern van Lê’s betoog: neutraal scheppen bestaat niet.

Op de volgende twee schermen blijven de eilandbeelden indrukwekkend en poëtisch, maar de drones komen steeds vaker in beeld: ze cirkelen zoemen, pruttelen boven het land, zwermen tussen de vogels door, dalen af en nemen ons zelfs mee de krappe, verlaten arbeidersbarakken in. Het eerste gevoel, kijkend naar die wonderlijke vliegende machines is afstand, afkeer zelfs: zo hard, zo kil, zo anoniem – en voor de vogels zijn ze vast ook niet fijn.

In hoeverre verschilt de manier waarop de drones ingrijpen in de natuur, van de manier waarop de guanoscheppers het eiland uitbuiten? Lê geeft geen antwoord. Dat is precies de kracht van dit werk: met subtiele perfectie blijft hij balanceren op de grens van afkeer en van pracht, van exploitatie en winst, van schoonheid en afkeer. Ergens tussen de stront gloort de schoonheid.

    • Hans den Hartog Jager