Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Chinezen

Juist toen ik erin berustte dat mijn leven steeds meer op een stripverhaal lijkt omdat ik te oud ben om de hele dag de jonge vader uit te hangen, ik in zomaar een dorp ben gaan wonen en ik een bejaarde moeder heb die me de hele dag belt met de mededeling dat ze me niet kan verstaan, stapten er op Amsterdam Centraal zeventig Chinezen de coupé van het Sprintertje in. Ze gingen net als ik de polder in. Ik naar huis, zij naar de Zaanse Schans. Ik dacht dat ze alleen per veerboot en touringcar werden aangevoerd, maar buiten de spits reisden ze dus ook met het openbaar vervoer.

Hun leidster, een jonge vrouw sprak ze kort toe, waarna ze allemaal tegelijkertijd probeerden te gaan zitten. Waarom dacht ik dat Chinezen altijd een leider hebben? Het was waarschijnlijk gewoon een gids die ze vertelde waar ze naartoe werden getransporteerd. Was dit nou zo gek? Zo was ik in een vorig leven, tijdens een rondreis met de ex-vriendin door India ook ooit met een groep Nederlanders in New Delhi in de trein gestapt.

De Chinezen om me heen knikten me vriendelijk toe, zo van: „Dag lokale bewoner, ga jij maar gewoon door met piekeren, we hebben geen kwaad in de zin”.

„Hello”, zei ik.

Ze lachten.

Druk geklets in een voor mij vreemde taal, er keken er nu wel heel veel vriendelijk knikkend mijn kant op.

We vertrokken.

De Chinees tegenover filmde alles, ook het stuk in de tunnel.

Daar was de conducteur, een man met gel in het haar. Er volgde een indrukwekkende spraakverwarring: alle Chinezen hadden niet of verkeerd ingecheckt. Hij zag het in z’n allerslechtste Engels door de vingers, maar voelde zich tegenover mij schijnbaar verplicht verantwoording af te leggen. „Normaal zeg je ‘stap even uit op het volgende station’, maar je gooit er in Koog aan de Zaan geen zeventig Chinezen uit.”

Bij station Zaanse Schans stonden zeventig oranje fietsjes voor ze klaar. Er waren er die bij het uitstappen voor de zekerheid een mondkapje voordeden, alsof de cacaolucht slechter voor ze was dan die gele nevel in Beijing. Weer dat vriendelijk bedoelde geknik.

Toen ik ons nieuwe huis binnenstapte, trof ik de schoonmaakster in de keuken, een vrouw met een kort kapsel die naar eigen zeggen geen koffie drinkt. Ik zei dat ik met zeventig Chinezen in de trein had gezeten, ze antwoordde dat ze op zolder begonnen was en dat haar poetsdoek terwijl ze zich naar beneden had gepoetst versleten was. „Die komt ook uit China.”

Wat zeg je dan? Ik zei: „Ook toevallig.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen