Amnesty: ‘Shell moedigde aan tot geweld in Nigeria’

Shell is medeverantwoordelijk voor „moorden, marteling en mishandelingen” in de jaren 90 in Nigeria. Dat stelt Amnesty International in een dinsdag gepubliceerd rapport.

Een foto van een pijpleiding van Shell in de Nigerdelta in Nigeria. Foto Pius Utomi Ekpei

Amnesty International dringt aan op een strafrechtelijk onderzoek naar de rol van Shell en individuele medewerkers bij het geweld op grote schaal in de jaren negentig in Nigeria.

Volgens Amnesty heeft Shell het militaire regime (en de politie) „herhaaldelijk” aangemoedigd actie te ondernemen tegen de protesten in het gebied waar Shell olie won. Daar ging het oliebedrijf volgens Amnesty mee door toen het al wist dat daarmee levens op het spel werden gezet, omdat het regime hard optrad en uiteindelijk zelfs executies liet uitvoeren.

In een dinsdag gepubliceerd rapport schetst de mensenrechtenorganisatie de verantwoordelijkheid van Shell bij „moorden, marteling, mishandelingen en arbitraire terechtstellingen” in het olierijke Ogoniland. Directeuren op de hoofdkantoren in Den Haag en Londen zouden „volledig op de hoogte” zijn geweest van wat er in Nigeria speelde.

Amnesty zegt voor het onderzoek duizenden bladzijden aan interne documenten van Shell en getuigenverklaringen te hebben onderzocht. Daaruit blijkt onder meer dat de toenmalige Shell-directeur in Nigeria, Brian Anderson, midden jaren negentig drie ontmoetingen heeft gehad met legerleider Sani Abacha. Volgens Amnesty verklaarde Anderson destijds dat hij het gevoel had dat het „leger of de politie zal interveniëren”. Vlak daarop werden negen Ogoni-leiders gearresteerd, onder wie milieu-activist en schrijver Ken Saro-Wiwa.

Lees ook: Nigeriaanse weduwes beginnen zaak tegen Shell

Shell werd bij de winning van olie in de Nigerdelta geconfronteerd met heftig verzet van de plaatselijke bevolking, vooral vanwege de grote olievervuiling in dat gebied. Een van de dieptepunten destijds was de executie Ken Saro-Wiwa in 1995. Nadat Shell was beschuldigd van betrokkenheid bij zijn dood en nog acht andere Nigerianen, werd de kwestie voor 15,5 miljoen dollar geschikt, zonder dat het bedrijf schuld erkende.

Shell ontkent via een woordvoerder van het Nigeriaanse dochterbedrijf „op de sterkst mogelijke manier” alle beschuldigingen. Shell noemt de aantijgingen vals en zegt voor de executies om clementie bij de autoriteiten te hebben gevraagd. „Shell Nigeria spande niet met de autoriteiten samen om de onrust te onderdrukken. En in geen enkel opzicht heeft het bedrijf opgeroepen tot geweld”.

Voor een onderzoek is Shell niet bang, laat het impliciet weten. „We geloven dat het bewijsmateriaal duidelijk laat zien dat Shell niet verantwoordelijk was voor deze tragische gebeurtenissen.” Volgens een woorvoerder van Amnesty wordt op een later moment in Nederland en Engeland aangifte gedaan, waarbij het nu verrichte onderzoek onderdeel van het strafdossier moet worden.

Inmiddels zijn de gewelddadigheden twintig jaar geleden en Amnesty noemt het een schande dat er door de Nigeriaanse regering nooit onderzoek verricht is en dat grote delen van de Nigerdelta nog altijd vervuild zijn. In 2011 bevestigde het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) de grote omvang van de vervuiling in Ogoniland. De meeste aanbevelingen van UNEP zijn volgens Amnesty, noch door Shell, noch door de overheid, in de praktijk uitgevoerd.

Correctie (28-11-2017): In een eerdere versie werd Sani Abacha per abuis Sari Abacha genoemd.

    • Erik van der Walle