Lekker laat uitchecken bij Hotel Mama

Jongeren blijven langer thuis wonen. Worden ze daar slechter van? „Je moet ze niet pamperen.”

Foto Arjen Born

‘Ik hoef niet op kamers te wonen om te leren hoe ik een ei moet bakken”, schreef Chiara Fonteni onlangs op de Facebook-pagina van NRC. „Ik voel de behoefte niet te douchen in dezelfde douche als mijn 19 huisgenoten die op dezelfde verdieping van het gebouw wonen, om jezelf te verkopen en hielen te likken tijdens een hospiteeravond om vervolgens jezelf de pestpleuris in te werken om je huur te kunnen betalen om ‘thuis’ te komen en dezelfde aangekoekte pan macaroni van je buurman aan te treffen die al 3 dagen in de gootsteen ligt. Thanks but no thanks. Zolang je welkom bent, wat is er dan mis met thuis wonen?”

Petra Franssen schreef: „Ik hoop dat mijn kinderen nog lang niet het huis uit gaan, ten eerste studeren ze nog wat hun al genoeg energie en geld kost en daarbij in deze tijd is alles zo duur dat ze amper kunnen sparen laat staan een huishouden kunnen betalen en ik, ik ben hun nog lang niet moe, ik vind het gezellig dat ze er zijn en zou hun never nooit niet de deur wijzen.”

De NRC-rubriek Opgevoed van 28 oktober maakte veel reacties los – online waren dat er meer dan 1.500. In die aflevering vroeg de moeder van een 26-jarige nog thuiswonende zoon of het tijd werd haar kind krachtig te stimuleren op zichzelf te gaan wonen. De twee pedagogen die de vraag beantwoordden meenden van wel, en snel ook. „Het zou in gezinnen vanzelfsprekend moeten zijn dat kinderen na hun eindexamen op kamers gaan,” zei psychologe dr. Marga Akkerman. „Dat is voor kinderen een belangrijke volgende stap in hun leven. Zo bouwen ze een netwerk van relaties en activiteiten voor de verdere toekomst. Die slag maakt uw zoon nu niet.” Pedagoog Bas Levering zei: „We moeten onze kinderen, als we ze op het volwassen bestaan willen voorbereiden, stimuleren om zo rond hun twintigste het huis te verlaten. Om zelf te leren koken, de was te doen, maar vooral om te kunnen experimenteren met van alles op een leeftijd dat mensen het je nog vergeven als je iets stoms doet.”

Een deel van de Facebook-reacties bestond uit het taggen van ouders en hun thuiswonende kroost die dit kennelijk volgens de buitenwacht moesten lezen – „Hahaha stuur ff door aan je moeder!” De reactie die meer dan 200 likes kreeg betrof de opmerking dat het voor de persoonlijke ontwikkeling van kinderen dan misschien wel het beste was zelfstandig te gaan wonen, maar dat dit door een tekort aan betaalbare huisvesting nu eenmaal onmogelijk was.

Te weinig betaalbare huisvesting

Flink verdeeld waren de meningen over de veronderstelling dat kinderen na hun achttiende zelfstandig genoeg moesten zijn om uit te vliegen. Een vader schreef: „Er gaat eigenlijk niets boven de beschutting van de familie, en met nogal wat mensen gaat het gewoon niet zo goed als ze buiten deze veiligheidszone treden, dus wees een beetje coulant met kinderen, vaak jongens, die de warmte van het gezin niet makkelijk loslaten.” Een ander schreef: „Heeft dit kind wel vrienden, wat als-ie eenzaam is? Weten we hoe eenzaam eerstejaars kunnen zijn?”

Het is een breed maatschappelijk fenomeen dat jongeren langer thuis wonen en ook vaker naar het ouderlijk huis terugkeren. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek steeg de gemiddelde leeftijd waarop kinderen zelfstandig gaan wonen van gemiddeld 22,8 jaar in 2012 naar 24,6 jaar in 2016. In 2006 woonde 85 procent procent van de 18-jarigen thuis, tien jaar later was dat 88 procent. De reden: geld. Er is te weinig betaalbare jongerenhuisvesting, en veel werkende jongeren hebben tijdelijke contracten.

De Volkskrant berichtte onlangs dat slechts een kwart van de studenten die vorig jaar aan een bachelorstudie begonnen, op kamers ging. Twee jaar geleden was dat nog 38 procent. De helft van de studenten verklaarde het thuisblijven met de invoering van het dure leenstelsel. Toen de studiebeurs nog bestond woonde de helft van alle tweedejaars op kamers, nu is dat 37 procent.

Thuis blijven wonen is bovendien geen straf, stelde pedagoog Bas Levering: „Een halve eeuw geleden wilden we zo snel mogelijk het huis uit omdat we dan dingen konden doen waar onze ouders het niet zo mee eens waren. Tegenwoordig hebben ze er geen bezwaar meer tegen als je vriendin blijft slapen, en brengen ze je nog ontbijt op bed ook. Dan is de keuze voor ‘Hotel Mama’ snel gemaakt.”

Is langer thuis wonen slecht voor de zelfstandigheid van jongeren?

Wat vinden andere wetenschappers? Nele Jacobs, hoogleraar levenslooppsychologie: „Dat loskomen van thuis helpt volwassen worden. Je leert er belangrijke vaardigheden van, zoals verantwoordelijkheid dragen, sociale omgang, emotionele onafhankelijkheid. Dat geeft het gevoel competent te zijn: het zelfvertrouwen capabel te zijn om uitdagingen aan te gaan, om regie te kunnen nemen over het eigen leven. Dat is een belangrijke voorwaarde voor mentale gezondheid. Bovendien is het voor jongeren fijn om te kunnen oefenen met fouten maken als het er nog niet zo op aankomt, al is het maar om te vergeten genoeg eten in huis te halen.

„Het is misschien voor ouders verleidelijk om hun kinderen in die cocon thuis te laten hangen,” stelt ze, „maar ze zouden ze toch moeten aanmoedigen die stap te nemen.”

Eigen koelkastje

Wim Meeus, hoogleraar adolescentie en hoogleraar ontwikkelingspsychologie, denkt dat die paar jaartjes extra thuis niet zoveel uitmaken voor het ontwikkelen van volwassen vaardigheden. Sterker: er is volgens hem een categorie kinderen die beter nog even thuis kan blijven, die minder geschikt is snel zelfstandig te worden. „Kinderen die wat angstig zijn, kinderen die een beetje teruggetrokken zijn, kinderen die moeilijk contact kunnen maken. Dat gaat op voor 10 tot 25 procent van de adolescenten”, zegt Meeus. „Het laatste wat je moet doen is hen dwingen na hun eindexamen het huis uit te gaan.”

Volgens Meeus zijn jongeren tegenwoordig sowieso later zelfstandig. „In 1950 gingen jongeren rond hun 15de, 16de werken, dat is tegenwoordig 21 à 22 jaar. Door de vervolgopleidingen is die adolescentiefase verlengd. Jongvolwassenen mogen veel langer aanklooien. We zien dat in landen waar die fase eerder afgelopen is, jongeren nauwkeuriger zijn, consciëntieuzer, dan leeftijdgenoten in westerse landen. Zo geeft een maatschappij vorm aan de levenslooppsychologie.”

Levert dat een lapzwanserige generatie op? Zijns inziens niet. „Het komt gewoon allemaal wat later. We leven veel langer tegenwoordig, dus dan mag die adolescentiefase ook wel wat langer duren.”

Wat je niet moet doen, is thuiswonende kinderen pamperen, zegt hij. „Je moet ze wel taken en verantwoordelijkheden geven. Een of twee keer per week boodschappen doen en koken bijvoorbeeld. Dat kunnen sociaal angstige kinderen ook. Je moet adolescenten die dingen niet uit handen nemen. Je moet vertrouwen uitspreken in de capaciteiten van je kind, het steunen als iets niet lukt, maar ook laten oefenen met nieuwe taken.”

Dat zegt ook Jacobs: „Ook als kinderen om welke reden dan ook thuis blijven wonen, moet je ze aanmoedigen hun zelfstandigheid te vergroten. Zorg als de omstandigheden dat toelaten dat ze eigen voorzieningen hebben, zoals een koelkastje, kookplaatje of badkamer. Leer ze iets repareren. En er zijn ook voor thuiswonende studenten wegen om tijdelijk het huis te verlaten, bijvoorbeeld een buitenlandstage aangrijpen om toch te oefenen met op eigen benen te staan.”