Profiel

Iva Bicanic Hoofd centrum seksueel geweld

De ‘dokter Corrie’ voor volwassenen

Ze legde de laatste tijd op radio en tv vaak uit wat misbruik met slachtoffers doet. De wetenschap is haar ‘wapen’. Collega’s noemen Iva Bicanic „een pionier”.

Iva Bicanic (45) is nog lang niet moe van #MeToo. Integendeel. Dat mensen hun verhalen over seksueel geweld delen, is in haar ogen een welkome golf van verandering waar zij gretig op meesurft. Bicanic, onder meer klinisch psycholoog, hoofd van het Centrum Seksueel Geweld en van het Landelijk Psychotraumacentrum in het UMC Utrecht, werkt al twintig jaar met kinderen en jongeren die misbruik hebben ervaren.

Je kon niet om haar heen de afgelopen weken. Keer op keer legde ze aan radiopresentatoren en talkshowhosts uit wat seksueel geweld met slachtoffers doet. Dat mensen soms bevriezen als er ongewenst aan ze wordt gezeten en daarom niet tegenstribbelen. Dat ook zij psychische problemen kunnen krijgen. Dat een man soms een erectie krijgt als hij wordt verkracht en dat een vrouw soms nat wordt. Bicanic had een belangrijke rol in het veelbesproken tv-programma van BNN-VARA Verkracht of niet, waarin een panel moest bepalen of een nagespeelde situatie een verkrachting was.

Ze zou het zelf nooit zeggen, maar collega’s en naasten hebben er geen moeite mee: Bicanic is een pionier. Dat zit onder meer in de manier waarop ze over een ernstig onderwerp als seksueel geweld spreekt, zegt de bevriende kinderarts Ferko Öry: „Zonder een blad voor de mond en onvermoeibaar.” De wetenschap is haar „wapen”, meent hij. „Haar verhaal is nooit emotioneel, ze blijft bij de cijfers en de feiten.” Vanwege haar directheid noemt hij Bicanic „de dokter Corrie voor volwassenen”, naar het tv-personage dat onomwonden praat over seks in een tv-programma voor kinderen.

Maar het belangrijkste pionierswerk van Bicanic is het Centrum Seksueel Geweld (CSG), vinden vakgenoten. Het CSG is opgezet voor mensen die recent zijn aangerand of verkracht. Daar werken politie en zorgprofessionals samen. Ze treffen elkaar op één locatie, meestal de eerste hulp: zedenrechercheur, forensisch rechercheur, de curatieve arts en forensisch arts, en een verpleegkundige die het slachtoffer ook erna begeleidt. Die bijeenkomst moet binnen een week na de gebeurtenis plaatsvinden, dan kunnen er nog sporen gevonden worden en kan er preventieve medicatie worden verstrekt. Voordat dit centrum bestond, moesten mensen met hun pijnlijke verhaal van instantie naar instantie. Er melden zich nu gemiddeld twintig slachtoffers per week bij een CSG.

‘Rape center’

Het eerste CSG was er in 2012 in Utrecht. Op 26 januari opent het zestiende en is er landelijke dekking; daarmee zijn de doelen die Bicanic en medeoprichter en vriendin Astrid Kremers zich stelden bereikt. Het idee ontstond in 2007 in Kroatië, toevallig het land waar haar ouders zijn geboren. Bicanic en Kremers bezochten een congres. „Daar raakten we met Denen aan de praat over een ‘rape center’, vergelijkbaar het het CSG nu.”

Sindsdien heeft Bicanic met volharding gelobbyd. Ze schreef financieringsplannen en kwaliteitscriteria, bezocht ziekenhuizen. Fonds Slachtofferhulp steunde haar al vanaf het prille begin. Onlangs heeft minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD) toegezegd dat de centra zijn verzekerd van financiering voor 2018. „Met haar gedrevenheid weet ze mensen te betoveren”, zegt Kremers. Dat verklaart het succes van de lobby deels. Bicanic gebruikt volgens haar omgeving zelden het woord ‘ik’, altijd ‘wij’. „Ze geeft je het gevoel dat je ertoe doet.”

Waarom ze zo gedreven is? Zelf zegt Bicanic: „Ik weet dat seksueel geweld levens kapotmaakt.” Bicanic praat zoals ze ook doceert in de filmpjes op YouTube: rustig, duidelijk, met een Nijmeegse zachte ‘g’. „Te weinig mensen weten dat slachtoffers er, in veel gevallen jaren na de gebeurtenis, vaak ernstige psychische problemen aan over houden.” Slachtoffers die zich melden bij een CSG krijgen daarom uitleg over wat normale reacties zijn op seksueel geweld zijn en tips om de verwerking te ondersteunen. Zo wil Bicanic voorkomen dat er psychische klachten ontstaan.

Bicanic wilde altijd kinderarts worden, maar raakte tijdens haar studie psychologie aan de VU in Amsterdam geïnteresseerd in seksueel misbruik. Dat kwam volgens Bicanic door de bevlogenheid waarmee emeritus hoogleraar kindermishandeling Francien Lamers colleges over het onderwerp gaf. Ze ging stage lopen bij Lamers. Daar zag ze voor het eerst „kinderen die niets meer voelen, die niet kunnen slapen, die geseksualiseerd gedrag vertonen en bijvoorbeeld tot bloedens toe masturberen”. Lamers kon „het vlammetje” zien „aanwakkeren”. Bicanic ging vrijwilligerswerk doen in vluchtelingenkampen in ex-Joegoslavië, waar oorlog was. Daar zag ze de trauma’s die het geweld bij volwassenen had veroorzaakt. Weer thuis begon ze bij de kindertelefoon.

‘Een kleine Che Guevara’

Bicanic is ook pragmatisch. Zij trekt niet ten strijde tegen het bestaan van seksueel geweld. Wereldwijd is er nog geen enkele interventie waarmee seksueel geweld structureel afneemt, is haar opvatting. „C’est ça, het bestaat. Laten we zorgen voor disclosure.” Kinderarts Ferko Öry vindt dat Bicanic „een bevrijdingsbeweging” is begonnen. Om die reden noemt hij haar een „kleine Che Guevara”. „Begin nou een Bicanic-school, zeg ik steeds.”

De werkweek van Bicanic is versnipperd: ze geeft therapie, coördineert het team van het Landelijk Psychotraumacentrum, maakt beleid voor het CSG samen met de stuurgroepen en de coördinatoren van de centra, schrijft artikelen en geeft les aan zedenrechercheurs en hulpverleners. Via Twitter wordt ze dagelijks benaderd door slachtoffers.

Laatst vroeg iemand wéér aan Bicanic hoe het haar lukt om zoveel te werken en toch enthousiast te blijven, herinnert haar broer Tim Bicanic zich. „‘Passie en het geluk dat ik tegen weinig slaap kan’, zei ze.” Iedereen uit „de Bicanic-familie” gaat door waar anderen stoppen, zegt Tim, die een ontwerpbureau heeft. Hun ouders zijn in 1968 van Zagreb naar Virginia gegaan, waar vader Dane Bicanic – nu emeritus hoogleraar natuurkunde – werk kon krijgen. In 1971 zijn ze in Nederland gaan wonen waar hij promotieonderzoek deed. Hun moeder, Vesna, studeerde economie maar bleef thuis om voor de kinderen te zorgen. „Iva was braaf. Het meisje bij wie alles lukte.” Tim was naar eigen zeggen het „zorgenkindje”. Hij stotterde erg. Volgens Iva heeft dat er „ongetwijfeld aan bijgedragen” dat zij hulpverlener werd.

Een volgende stap waar ze over nadenkt is het bijzonderhoogleraarschap. Ze moet dan wel eerst meer wetenschappelijke artikelen hebben gepubliceerd. In die functie kan ze meer onderzoek doen. Als eerste zou ze onderzoek doen naar de impact van een beweging als #MeToo. Heeft het mensen geholpen? „MeToo kost niks en heeft misschien een enorme impact: als mensen erover praten gaan ze misschien ook in therapie. Wow.”