Het geheime leven van ‘Pietje Bell’

Chris van Abkoude

De geboren Rotterdammer Chris van Abkoude (1880-1960) is de geestelijk vader van Pietje Bell en Kruimeltje. Tot voor kort was er weinig over hem bekend. De biografie Dát is Pietje Bell! brengt daar verandering in.

Een pietje-precies kent iedereen wel. Dit neefje van pietje-secuur en pietje-rechtuit heeft het gebracht tot een vermelding in de Dikke Van Dale – zij het zonder hoofdletters. Pietje Bell komt in het woordenboek (nog) niet voor, terwijl zijn naam toch ook tot het spraakgebruik is doorgedrongen. Even googelen levert op: ‘de Pietje Bell van de sportjournalistiek’ (Hugo Borst), ‘de Pietje Bell van de museumwereld’ (Wim Pijbes), ‘de Pietje Bell van de autosport’ (Max Verstappen).

Zo’n pietje-bell is iemand die de boel eens lekker opschudt, iemand die zijn eigen pad uitstippelt en de regels misschien niet per se aan zijn laars lapt maar wel probeert in hoeverre ze meegeven – hoe dan ook iemand met een hart van goud.

Je zou kunnen zeggen dat Chris van Abkoude de pietje-bell was van het onderwijs, de pietje-bell van het kinderlied én de pietje-bell van het kinderboek als het niet een beetje raar is om de man die Pietje Bell heeft bedacht de pietje-bell van wat dan ook te noemen.

Het stadsleven in het Rotterdam van rond 1900 speelde zich grotendeels af in het gebied tussen Goudsesingel, Meent, Botersloot, Kipstraat en Hoogstraat dat er toen, met zijn wirwar van straten, stegen en sloppen uitzag als zoveel andere dichtbevolkte Hollandse binnensteden. In 1899 werd Van Abkoude onderwijzer aan een christelijke school in het Zwaanshals, „gelegen in een sjofele buitenwijk, omringd door fabrieken en werkplaatsen Het was een oud, versleten gebouw, smakeloos en uit den tijd”, schreef hij.

Over de armoede die hij om zich heen zag, publiceerde Van Abkoude vlammende stukken in Het Rotterdammertje. Ook in andere teksten (hij schreef zo’n vijftig boeken) stak hij zijn sociale bewogenheid niet onder stoelen of banken.

Stank

Tussen de Goudsesingel en de Bredestraat lag de Lange Lijnstraat die Van Abkoude beschreef als „een lange steeg van eenvormige woningen; ’n benauwde lucht van rottend fruit en straatvuil [hing] zwaar in het straatje; hier en daar [wolkte] een weeë visch-stank uit een donker voorhuis”.

Ook elders in de stad moet het vreselijk gestonken hebben: „Een onverdraaglijk wee-brakerig kwalrottende stank wolkte ons als een dikke mist tegen. […] De stank hing dik, als een wolk van pestdamp. We vermanden ons, we zagen kinderen!”

„We zijn in ’t centrum van donker-Rotterdam, midden in het Zandstraat-Complex. Deze buurt is de meest vervuilde, de diepst gezonkene van heel de stad. Hier zetelt de ontucht, de vuilheid, de liederlijkheid, de misdaad! Om het andere huis een bordeel”, noteerde hij in 1905. In een andere tekst: „Als ik koning was, dan liet ik eerst alle krotten en slechte woningen afbreken, te beginnen met die in onze stad. Daarvoor liet ik degelijke huizen zetten en verhuurde die aan het arme volk.”

Tien jaar later werd deze sloppenwijk rond de Zandstraat inderdaad afgebroken, maar dat was niet omdat Chris van Abkoude zich er boos over had gemaakt. Er kwamen ook geen degelijke huizen voor het arme volk voor in de plaats, maar het nieuwe stadhuis aan de Coolsingel.

Van Abkoude was toen de beruchte Zandstraatbuurt werd opgeruimd al vertrokken naar Amerika, „min of meer gevlucht voor de kritiek”, zegt biograaf Jan Maliepaard. Pogingen om een gerespecteerd literator te worden waren mislukt. Niemand minder dan Willem Kloos wees een bijdrage aan De Nieuwe Gids af met een ronkende brief waarin hij zegt „dat gij tot dusverre, in uw schrijfwerk, op een verkeerden weg waart”.

Zijn kinderliedjes werden verguisd en zijn eerste boek over Pietje Bell was door de pers en door collega’s zelfs onverholen vijandig ontvangen.

Chris van Abkoude ging in 1916 naar New York, zijn vrouw en kinderen zouden later volgen. Hij was ruim 25 jaar eerder geboren in de Jonker Fransstraat waar zijn vader en moeder een modezaak dreven. Zijn moeder Anna overleed twee weken na zijn geboorte, zijn vader Pieter werd zodoende voor de derde keer in zes jaar tijd weduwnaar.

Het Rotterdam van Pietje Bell was in grote lijnen hetzelfde als dat van Chris van Abkoude. Ook van het personage Pietje Bell vinden we veel terug in zijn geestelijk vader. De oudere zus, de journalistieke roeping, de sociale bewogenheid, de knuppel-in-het-hoenderhok-mentaliteit. We zien Pietje Bell net zoals Chris van Abkoude vertrekken naar Amerika om daar zijn geluk te beproeven.

Vanaf 1920 bouwt Van Abkoude aan de reeks Pietje Bell-boeken, waarvan in 1914 het eerste deel, Pietje Bell of de lotgevallen van een ondeugenden jongen, was verschenen. Hij schrijft De vlegeljaren van Pietje Bell en nog zes titels in Amerika, maar hij verloochent zijn Rotterdamse afkomst niet. Die Rotterdamse inslag zou later, als de boeken vanaf 1959 met gemoderniseerde teksten in pocketvorm worden uitgebracht en zo weer nieuwe generaties aanspreken, behouden blijven. Er werden zo’n twee miljoen Pietje Bell-boeken verkocht.

Onbekende zoon

Een ander nadrukkelijk Rotterdamse hoofdpersoon die in Amerika uit de pen van Van Abkoude wordt geboren, is Kruimeltje. Jan Maliepaard en Jan Oudenaarden ontdekten dat het aan Kruimeltje gewijde kinderboek uit 1922 een sterk autobiografische invalshoek heeft.

„Wat me aan Chris van Abkoude fascineerde, was dat er zo weinig over hem bekend was”, zegt Jan Maliepaard die al in 1998 met zijn speurtocht naar de geestelijke vader van Kruimeltje en Pietje Bell begon. In 2003 publiceerde hij samen met René Zwaap een eerste biografische schets. „Maar het verhaal was nog lang niet klaar. Naar aanleiding van die publicatie heb ik nieuwe informatie gekregen met mooie vondsten zoals de autobiografische roman Schoolmannen als resultaat.”

Maliepaard spitte archieven om en dook in het verhaal van Van Abkoudes emigratie. Omdat zijn naam voor Amerikanen niet makkelijk uit te spreken was, mat hij zich de naam Charles Winters aan. „Ik heb overal naar informatie over hem gezocht, totdat ik op het idee kwam om op zijn oorspronkelijke naam te zoeken. Zo vond ik een onbekende zoon, Fred van Abkoude, die er geen flauw benul van had dat zijn vader in Nederland nog bekendheid genoot.”

Het bleek deze in 1919 geboren Fred te zijn die model heeft gestaan voor Kruimeltje. Na zijn aankomst in New York, ruim een jaar voordat zijn gezin zou overkomen, had Van Abkoude warme banden aangeknoopt met de operazangeres Betty Poulus. Uit deze verhouding worden een dochter en een zoon (Fred) geboren. De moeder doet afstand van de kinderen, waarna Chris en zijn wettelijke echtgenote Ans hen adopteren en opnemen in het gezin.

„Fred kwam er pas als volwassene achter dat Ans niet zijn echte moeder was”, zegt Maliepaard. „Hij had wel eens een exemplaar van het boek Kruimeltje gezien, maar zich nooit gerealiseerd dat hij net als Kruimeltje door zijn moeder was weggegeven. Hij is 92 jaar geworden, hij was de laatste levende getuige die mij het verhaal van Chris van Abkoude uit de eerste hand kon geven.”

    • Frank van Dijl