Harig vliegje blijft kurkdroog als het onder water zwemt

Illustratie Irene Goede

Dit vliegje is een vreemde snuiter. Hij kruipt namelijk graag onder water, in een luchtbel die hij zelf meeneemt. Dat is op zichzelf niet zo heel bijzonder. Er zijn ook kevertjes en zelfs spinnen die met een luchtbel duiken. Dat doen ze om te kunnen ademen. Maar dit vliegje zit helemaal IN zijn bubbel. Hij blijft kurkdroog. En dat is maar goed ook.

Dit vliegje leeft namelijk in Mono Lake, een zoutmeer in Californië. Het meer is drie keer zo zout als de oceaan. En het is ook nog eens heel basisch. Een base is het tegenovergestelde van een zuur: je kunt er een zuur mee ‘ontzuren’. Met een héél sterke base kun je je gootsteen ontstoppen. Zo sterk is het water van Mono Lake niet. Maar toch zou de vlieg er zeker van doodgaan als hij nat zou worden.

Het zoutvliegje kruipt onder water tot wel acht meter diep, om algen te eten. Er zit dan een laagje lucht tussen zijn haartjes gevangen. Het vliegje moet hard werken om die luchtbel mee naar beneden te trekken. Omhoog gaat veel makkelijker. Dan laat hij gewoon de rotsbodem los en drijft in zijn luchtbel naar boven. Die bel spuugt hem uit – plop! – bovenop het wateroppervlak.

Amerikaanse onderzoekers deden wat proefjes met verschillende soorten vliegjes. Die dompelden ze onder. Geen een werd kleddernat. Dat komt doordat ze allemaal veel haartjes op hun borst hebben. Daar blijft lucht tussen zitten. De zoutvliegjes bleven het allerdroogst. Zij hebben namelijk de meeste haartjes, ontdekten de onderzoekers. Daarnaast is hun huid een soort schuurpapier. De korreltjes zie je alleen onder een speciale microscoop. Waterdruppels parelen er gewoon vanaf, zonder een spoor achter te laten. Net zoals bij het blad van de lotusbloem, of van Oost-Indische kers. Dat wordt ook nooit nat.

Door al dat bijzonders kan het zoutvliegje als enige dier overleven in Mono Lake. Hij hoeft zijn voedsel dus met niemand te delen. Daarom zwermen de vliegjes met miljarden tegelijk langs de oevers, als een zwarte golvende deken. In voorjaar en herfst komen daar duizenden trekvogels op af. Ze lopen happend door de vliegendeken heen. Lekker vet worden ze daarvan. Fijn voor henzelf, maar ook voor de vossen op de prairies waar ze broeden. En voor mensen die graag naar vogels kijken. Veel moois dus, allemaal dankzij die kleine bubbelduikers.

Bron: Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS), 20 november