Recensie

Wat schuilt er achter die wollige woordenbrij?

Tom Lanoye

De underdog-hoofdpersoon in Zuivering neemt nogal een aanloop, de ene zin nog barokker dan de andere, voordat het verhaal doorbeekt. Maar dan!

Tom Lanoyes grootste literaire kracht is tegelijk de achilleshiel van zijn nieuwe roman Zuivering. Namelijk: zijn lyrische vermogen, zijn redenaarstalent, pathos, zijn theatraliteit, die vrijwel geen zin ongemoeid laat. Aan het begin van de roman typeert Lanoye de Middellandse Zee als ‘een azuurblauwe draaikolk die zonder genade de mensendrommen uitdunde die het lef hadden zich te wagen op haar sprookjesachtige baren’, en even later als ‘de sadistische dompteuse van een school potvissen die ze onverhoeds uit haar bekken tevoorschijn kan doen rijzen’.

Dat zijn zinnen van een met ongelooflijke formuleerdrift begunstigde schrijver, zinnen die schuimen, waarop kritiek kan klinken als: ‘Hé Shakespeare, effe dimmen.’ Maar er is toch een probleem mee: de beelden wijzen maar één kant op. Je gaat de Middellandse Zee hierdoor niet anders zien dan als de poel des verderfs die we er al van verwachtten in een actueel migratieverhaal – en dan wordt de kunstigheid van zo’n zin een kunstje. En een bombastische beschrijving van de zee is in zo’n verhaal nog terecht, maar het pathos, de theatraliteit, de bombast is hier overál. Hoezeer de zinnen ook bedwelmen, hoezeer Lanoye zijn hoofdstukken ook met nadrukkelijke éénzinsalinea’s en vooruitwijzingen afsluit, om ons bij de les te houden: Zuivering komt nauwelijks op gang.

Uiteindelijk wel, want een slecht boek is het nochtans niet, zeker niet. Wel een onevenwichtig boek.

In de lange aanloop neemt hoofdpersoon Gideon Rottier het woord: stotteraar en machopoëet in het diepst van zijn gedachten, geprivilegieerde Belg én underdog met rotbaantjes, eerst taxidermist en paardenspermaboer en uiteindelijk schoonmaker van extreem vuil, zoals overstroomde kelders, verbrande huizen of zelfmoordlocaties. Daar leert hij Youssef kennen, Libanees vluchteling, die hij onderdak verleent – en even later ook diens overgekomen vrouw en kinderen. Intussen spoelt een golf van terreuraanslagen over België (door jihadisten én racisten, net als in het echt). Gideon en Youssef mogen de boel schoonmaken.

Gek genoeg leveren al die gegevens nog geen enerverend verhaal op – het kabbelt eerder. Dat is het andere probleem van Lanoyes beschrijfdrift en gezwollen taal: soms is het te veel buitenkant, zonder dat je achter de façade een hart hoort kloppen. Dat ontwaar je pas – en dan komt de roman van de grond – wanneer Youssef er de brui aan geeft, moegestreden door de scheve gezichten als uitgerekend hij komt opdraven om ‘een zak met kinderledematen’ te vullen. Gideon blijft met het vaderloze gezin achter.

Dan breekt het verhaal door. ‘Hij was dus toch de bedrieger voor wie iedereen me van meet af aan gewaarschuwd had’, noteert hij – en zo openbaart zich waar Zuivering om draait: het eeuwige wantrouwen dat een vluchteling in het Westen, veroordeeld tot een afhankelijkheidsrelatie, blijft achtervolgen. Gideon extrapoleert zijn teleurstelling in Youssef naar diens gezin – een daverende metafoor. Dan doorzie je dat Gideon met zijn wollige praalwoorden zijn straatje schoonveegde, maar dat al die tijd zijn ware aard schuilging in prikkende details. Zijn sluimerende racisme, zijn nauwelijks verholen seksisme, zijn disrespect voor religie – dat alles bleef een boek lang zonder tegenspraak. Waardoor wij wel van die underdog met zijn onschuldige haantje aannamen dat hij tot de 100%-goeden hoorde. Hij huisvestte vluchtelingen!

Hoor wie het zegt. Die laatste honderdvijftig bladzijden, die zijn sterk.