Recensie

Ruggenberg is op weg om Thea Beckman te overtreffen

Piratenzoon

Jong en oud valt voor de historische avonturen van Rob Ruggenberg. In zijn zevende boek Piratenzoon schrijft hij rauw en meeslepend over mensenhandel en geloofstwist.

Hij mag dan een man zijn, maar elf jaar na zijn debuut is iedereen het erover eens: Rob Ruggenberg is de nieuwe Thea Beckman. Net zoals zij is hij geliefd bij jonge lezers. Tegelijkertijd krijgt hij ook lof toegezwaaid van volwassen critici. Niet geheel toevallig werd Haaieneiland, Ruggenbergs zesde titel, eerder dit jaar bekroond met zowel de Jonge Beckmanprijs als de Thea Beckmanprijs voor het mooiste historische jeugdboek. Door publiek én jury dus; kom daar nog maar eens om tegenwoordig.

Ruggenberg (1946) onderscheidt zich door zijn journalistieke aanpak. De goed gedocumenteerde verhalen zijn vaak deels waargebeurd. Bovendien levert zijn speurzin soms verrassende historische perspectieven op. Zeker geldt dat voor het nieuwe Piratenzoon dat draait om de slag bij Sluis (1603) tussen een Spaanse galeivloot en Zeeuws-Hollandse vloot, en het daarop volgende dodelijke beleg van deze vestingstad door prins Maurits (1604) tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Ruggenberg maakte van een van de ruim 1.400 Moorse galeislaven die aan Spaanse zijde vochten zijn hoofdpersoon. Goedbeschouwd is deze Zain de in de kinderliteratuur zo gemiste held van allochtone afkomst.

Marokkaanse Koranstudent

Zain is de begaafde zoon van een Barbarijse mensenhandelaar uit Salee (in het noordwesten van Marokko) en een door zijn vader geroofde Nederlandse slavin, voor wie Ruggenberg putte uit het levensverhaal van Maria ter Meetelen (uit Medemblik), die in de achttiende eeuw als slavin in Salee terechtkwam. Behalve dat Ruggenberg hiermee treffend aantoont dat toen iedereen – ongeacht waar je vandaan kwam – het slachtoffer van mensenhandel kon worden, lost hij zo ook Zains in potentie aanwezige taalprobleem slim op.

De Marokkaanse Koranstudent wordt onderweg naar de pretentieuze paleisschool in Istanbul door Spaanse zeelieden buitgemaakt en belandt vervolgens als galeislaaf in Zeeuws-Vlaanderen. Zijn Nederlands blijkt dan voldoende om geloofwaardig contact te leggen met de verweesde Kat en haar broer Splinter. Ze zijn lijkenpikkers – ophalers en begravers van doden.

Het verdronken land

Ruggenberg romantiseert het verleden gelukkig niet. Dat blijkt al op de eerste bladzijde waar hij de troosteloosheid van ‘het verdronken land’ rondom Sluis rauw en raak beschrijft, met Spaanse soldatenlijken die ‘rottend in het slijk van de kreken en de slikken’ een prooi voor kinderen als Kat en Splinter zijn, maar ook voor wolven. ‘In de hel van Sluis telde maar één ding’, schrijft Ruggenberg terecht, ‘overleven’. Ook Zain weet dit nadat hij heeft gezien hoe zieke slavenroeiers als vuil over boord worden gesmeten en hij iemand bewust de dood heeft ingejaagd. Vertwijfeld vraagt hij zich af wat zijn Koranwijsheden nog waard zijn.

Lees ook: Na de film huiveren bij nieuwe poolcirkelavonturen

Zo’n inkijkje in Zains zielenroerselen had Ruggenberg vaker mogen geven. Hij schrijft aangenaam pretentieloos en beeldend en wekt de geschiedenis knap tot leven, maar meer scènes zoals die waarin Zain, denkend aan zijn eenzame moeder, worstelt met zijn eigen geloof versus het ‘verkeerde’ christendom, hadden het boek meer diepgang gegeven. Als Ruggenberg daarin slaagt, overtreft hij zijn illustere voorganger misschien nog wel eens.

    • Mirjam Noorduijn