Rellen? Politie Brussel stond erbij, keek ernaar

België

De versnippering en de organisatorische chaos bij de Brusselse politie lijken sinds de aanslagen van 2016 niet verbeterd.

Schade na de rellen in Brussel. Foto Nicolas Maeterlinck/AFP

Een nachtwinkel in het Brusselse centrum, zaterdagavond 11 november. Tientallen mensen slaan er de boel kort en klein, pikken spullen en bedreigen de eigenaar. Maar als hij de politie belt, komt er niemand opdagen.

Hij is niet de enige met problemen die avond: rond de Beurs is het „een waar slagveld”, zo getuigt VRT-journalist Yassine Atari. Na de WK-kwalificatiewedstrijd tussen Marokko en Ivoorkust in Afrika zijn rellen uitgebroken in Brussel. Een groep van zo’n driehonderd man trapt deuren van woningen in, steekt auto’s in brand en probeert pinautomaten uit de muur te rukken. In een meubelzaak wordt een matras in brand gestoken, terwijl erboven gezinnen wonen. Hulpdiensten zijn nergens te bekennen. Boven het tafereel cirkelt een politiehelikopter, maar de politie treedt niet op.

Pas na een paar uur weten agenten de relschoppers te kalmeren. Niemand wordt gearresteerd. Dagen later wordt een aantal relschoppers opgepakt, na herkenning op camerabeelden.

Schade na de rellen in Brussel. Foto Nicolas Maeterlinck/AFP

Waar was de politie die avond? Nu de politie wás er wel, bevestigt een nog niet openbaar verspreid onderzoeksrapport, deels al bekend via de Belgische minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon. Alleen: agenten keken tot op 150 meter van de rellen werkeloos toe.

Het rapport schetst een verontrustend beeld van de Brusselse politie-organisatie die avond. De politie wist niet van de wedstrijd en had geen draaiboek voor mogelijke rellen. Door een onduidelijke commandostructuur werden verkeerde keuzes gemaakt. Tot grote frustratie van de agenten zelf overigens: „Handelszaken werden bestolen voor de ogen van een peloton. Er mocht niet ingegrepen worden, omdat de situatie dan wel eens zou kunnen escaleren. Da’s toch om zot van te worden!” zeggen anonieme agenten later bij de VRT.

Lees ook: Meerdere agenten gewond na rellen in Brussel

De politietop was bang dat ingrijpen met een honderdtal agenten tegenover een overmacht aan relschoppers niet veilig zou zijn, staat in het rapport. Niet volledig onterecht, want eerder op de avond waren al agenten gewond geraakt. Maar de leiding had niet door dat er allang versterkingen uit andere politiezones klaar stonden, die uiteindelijk onverrichter zake naar huis gingen. Overzicht over de hele situatie was er nauwelijks; een leidinggevende deed het gros van de crisiscommunicatie.

Het probleem is niet nieuw. De Brusselse versnippering van gemeenten en politiezones lag al vaker onder vuur, bijvoorbeeld na de aanslagen in 2016. Voor de veiligheid in het Brussels gewest zijn maar liefst negentien burgemeesters, zes korpschefs van zes politiezones, de Brusselse regering en Gouverneur én een aantal federale ministers verantwoordelijk. Al die zones opereren min of meer onafhankelijk.

Lees ook: 31 arrestaties bij onrust centrum Brussel

Verbetering is steeds uitgebleven - de hete aardappel wordt al jaren heen en weer geschoven. Tijdens een parlementair debat woensdagmiddag, waarbij minister Jambon vragen beantwoordde, werd opnieuw duidelijk waar de discussie vastloopt: op de taalgrens.

De meeste Vlaamse partijen zien in het rapport hét bewijs dat er één grote Brusselse politiezone moet komen. „De problemen ontkennen, is als ontkennen dat de zon schijnt”, sprak Franky Demon van de Vlaamse CD&V woensdag. „Typisch voor Brussel.”

Maar de Franstaligen interpreteren het rapport heel anders: er moet geld van minister Jambon komen voor meer agenten. Zij steunen juist het lokale bestuur, dat toevallig (of niet) ook grotendeels Franstalige partijen bevat. Eén politiezone is voor hen taboe, aangezien de lokale Franstalige politici bij een fusie voor hun positie vrezen. Ze vinden daarom dat het klaar moet zijn met de Vlaamse „obsessie met de politiezones”.

Wat de minister betreft: die verklaarde zich weliswaar voorstander van gefuseerde politiezones, maar wil een fusie „niet op leggen”. En daarmee is het onderwerp weer op de plank gelegd.

    • Anouk van Kampen