Opinie

Oordeel ook met je onderbuik

De onderbuik associëren we met de kleingeestige opvattingen van ‘Henk en Ingrid’. Angst en woede drijven hun denken. Toch kan het geen kwaad een kwestie te doorvoelen, betoogt .

Illustraties Cyprian Koscielniak

‘Mensen zijn de enige emotionele wezens die niet emotioneel wensen te zijn, die hun behoeftes binnenhouden en hun leven zo inrichten dat er voor gevoelens geen plaats is”, aldus filosoof Martha Nussbaum. We verlaten ons het liefst op de ratio.

Neem de liefde, waarover filosoof Alain de Botton zegt dat het romantisch ideaal een ‘wreed idee’ is. Geef die romantische gevoelens op, wees redelijk en leg je neer bij de feilbaarheid van de ander (en jezelf).

Of spiritualiteit, ook daar klinkt de lokroep van de logica. Het redelijke devies is dat we enkel hoeven te beseffen dat we geen invloed op zowel verleden en toekomst hebben, waardoor we ons kunnen ophouden in het eeuwig voortdurend, mindful Nu. Hoe? Koop een yogamat en let op je ademhaling.

We hebben, kortom, een alomvattend vertrouwen in onze verstandelijke vermogens. Daarentegen heeft dat andere deel van ons, het gevoel, de onderbuik, een slechte naam. De onderbuik wordt doorgaans geassocieerd met kleingeestige oordelen en opvattingen, met kort-door-de-bocht en uitsluiting. De onderbuik, dat is nieuw rechts, dat zijn Henk en Ingrid. Maar de Henken en Ingrids geven de onderbuik een slechte naam. Angst en woede drijven hun manier van redeneren, populistische politici verantwoorden deze gevoelens met een ijzeren logica.

Doorleefde redelijkheid doet recht aan ieders verhaal, van het slachtoffer en van de dader

Dit negeren van onze gevoelens heeft een prijs. Nu berichten over geweld en misbruik in alle geledingen van de samenleving naar buiten komen, raken we ontregeld: de emoties die loskomen zijn hevig, de reacties op die emoties soms nog heviger. Iedereen beroept zich op redelijkheid, maar tot een afgewogen en eerlijke kijk op de vermeende wandaden komen we niet.

Volgens de psychoanalyticus en filosoof Erich Fromm bestaat er een completer soort redelijkheid, een gevoelde, doorleefde vorm die ontstaat uit denken en voelen. Daarbij is de onderbuik van cruciaal belang. Fromm schrijft in zijn boek Liefhebben, een kunst, een kunde: „De mens is slechts in staat tot objectief, redelijk oordelen, als hij ootmoed heeft geleerd, als hij zichzelf heeft bevrijd van zijn infantiele droombeelden van alwetendheid en almacht.”

Lees ook: de voorgaande aflevering in de serie ‘Nieuw Licht’: bij selfiemakers is de zelfhaat nooit ver weg.

Naast het losmaken van die kinderlijke droombeelden is een andere voorwaarde voor redelijkheid dat je in jezelf gelooft, aldus Fromm: vertrouwen in je eigen beoordelingsvermogen. Onontbeerlijk hierbij is een goed ontwikkeld emotioneel systeem waarin gevoelens worden geaccepteerd en serieus genomen, zodat ze richting geven in plaats van ontregelen (zoals vaak het geval is). Emotioneel vaardig word je wanneer je gevoelens als kind serieus werden genomen, ook de schijnbaar overtrokken, ongepaste en schaamtevolle gevoelens – juist die.

Denk aan de jaloezie die een peuter kan voelen wanneer hij een nieuw broertje of zusje krijgt, of de razernij van een kind die niet het cadeau krijgt waar hij op had gehoopt. Is er ruimte voor die gevoelens of worden ze afgestraft? Wanneer alle gevoelens er mogen zijn, dan leert een kind dat zijn onderbuik recht van spreken heeft. Op die manier leer je gebruik te maken van je al je emoties in plaats van er door te worden beheerst omdat je ze niet mag voelen. Deze vorm van acceptatie en validatie van emoties ontbreekt in de meeste opvoedingen, simpelweg omdat ouders hun eigen (negatieve) gevoelens hebben geleerd te negeren, omdat hun ouders dat ook deden, enzovoort.

Een belangrijk neveneffect van het leren negeren van de ingewikkelde, misschien wat duistere en mogelijk zelfs schaamtevolle gevoelens, is dat de pijn in een mensenleven zich ophoopt. Tot het niet langer gaat. En of het nu gaat om een relatie, een gezin of welke organisatie van mensen ook, de pijn komt ooit naar buiten. De ogenschijnlijk tevreden man die niet meer van zijn vrouw houdt, misbruik dat decennia later boven komt drijven. De onderbuik doet zich uiteindelijk gelden als daar de kans voor is.

Goed nieuws, zou je denken. Dat is maar deels waar. De reacties op deze onderbuikgevoelens zijn soms zodanig ondermijnend en veroordelend, dat het niet ondenkbaar is dat ze de neiging tot het onderdrukken van die gevoelens juist verdiepen.

Neem weer even de liefde. Een populaire gedachte is dat mensen tegenwoordig te snel en te makkelijk uit elkaar gaan. Dat zegt ook hoogleraar Duurzame relaties en Welzijn Esther Kluwer (Radboud Universiteit) in een interview met NRC. Belangrijk punt van Kluwer is dat kinderen van gescheiden ouders slechter af zijn. Dat blijkt uit onderzoeken waarin kinderen van gescheiden ouders worden vergeleken met kinderen van ouders die niet gescheiden zijn.

In die constatering schuilt een probleem: deze kinderen worden vergeleken met kinderen van wie de ouders nog bij elkaar zijn, maar dat is niet waar het om gaat. Het gaat om de vraag hoe de kinderen eraan toe zouden zijn wanneer hun ouders niet gescheiden waren. Dat valt niet te onderzoeken. Natuurlijk doet scheiden pijn. Wat dragen deze stigmatiserende (en ongefundeerde) conclusies bij aan het verwerken van een scheiding?

We leren, kortom, dat er van alles niet gevoeld, gevonden, gewild en gedacht mag worden. Dan helpen we onszelf en onze kinderen er niet mee om de geloochende gevoelens die een rol spelen bij een scheiding te beantwoorden met doemscenario’s. Scheidingen bestaan, hoe kunnen we er het best naar kijken en mee omgaan, dát is de vraag.

Dezelfde simplificerende neiging tot goed-fout-denken zie je in de #metoo-discussie. Het verlangen de daders onmiddellijk weg te zetten als abject is groot, en de stap richting het perspectief van de dader niet vanzelfsprekend, en erg ongemakkelijk. Bovendien brengt die nabijheid ons bij de menselijke kant van een dader, bij de tragiek, de eenzaamheid, de frustratie en dat maakt het moeilijker iemand zonder pardon te veroordelen.

Toch vereist de doorvoelde redelijkheid zo’n stap. Dat maakt het een ingewikkelder en pijnlijker manier om tot een oordeel te komen dan wanneer je alleen je zogenaamd gezonde verstand gebruikt, het vergt moed omdat je je geloof in je denken op moet durven schorten zodat je je kunt verdiepen in het drassige gevoelsleven; van een ander, en daarmee ook van jezelf. Toch is die doorleefde redelijkheid uiteindelijk de manier om in het reine te komen met het ongerijmde in een ander én in jezelf, om te accepteren dat mensen, en jij dus ook, uit tegenstrijdigheden bestaan.

Het betekent niet dat je een dader hoeft te vergeven, of dat je je eigen gevoelens van walging of woede ontkent. Het belang van de doorvoelde, doorleefde redelijkheid die recht doet aan ieders verhaal, is dat we als individu en als samenleving in staat zijn de conflicten en het geweld die onlosmakelijk met de mens verbonden zijn, kunnen dragen en op een rechtvaardige manier veroordelen.

Neem het voorbeeld van de studentenpsycholoog in Groningen die studenten uit het corps met psychische klachten behandelt. Hij ziet slachtoffers (‘ze is niet verkracht, maar vroeg zich achteraf af waarom ze dit met zich had laten doen’) én daders, zoals een jongen die een medestudent het ziekenhuis in had geslagen tijdens de ontgroening. „Het slachtoffer had een botbreuk, maar de dader kreeg psychische problemen”, aldus de studentenpsycholoog in de Volkskrant.

Wanneer je deze jongen alleen strafrechtelijk vervolgt zonder ruimte te geven aan zijn verhaal en zijn pijn, doe je hem (en daarmee de samenleving) tekort. Dit geweld is waarschijnlijk niet enkel het resultaat van een gemankeerde impulsbeheersing, maar ook van de cultuur binnen de studentenvereniging en, doorredenerend, van de samenleving. Wellicht is de jongen onder de groepsdruk bezweken, hoogstwaarschijnlijk was hij flink onder invloed. Laat je dat buiten beschouwing, dan negeer je een belangrijk deel van het probleem, en dus van een oplossing.

Wat helpt bij het aanspreken van de onderbuik is het volgende: stel je voor hoe het zou voelen als deze student jouw zoon was. Jouw zoon, die je hebt zien opgroeien, die je hebt gekoesterd, waar je je elke dag om bekommert. Je ervaart waarschijnlijk dezelfde weerzin over het geweld. Maar je voelt misschien nog iets: vertwijfeling, zorg, verdriet. Wanneer je je onderbuik hebt leren gebruiken en weet dat gevoelens waardevrij zijn, ben je in staat om die conflicterende gevoelens (woede, haat, zorg, verdriet) naast elkaar te laten bestaan – je kan tegelijkertijd woedend en bezorgd zijn.

Hierdoor verval je niet onmiddellijk in een reflexmatige lik-op-stuk-reactie (woede – vergelding). En alleen dan kun je nadenken over een straf die redelijk is op de manier waarop Fromm het bedoelt: een straf waar niet alleen het slachtoffer, maar ook de dader wat aan heeft.

Illustraties Cyprian Koscielniak

Correctie (30 november 2017): in een eerdere versie van de inzet ‘Erich Fromm’ is een van zijn werken ‘De angst voor de vrijheid’ genoemd. Dat klopt niet. De juiste titel is ‘De angst voor vrijheid’.