Recensie

Kroniek uit het grondsop van de letteren

Pieter Waterdrinker

Zijn ‘autobiografische vertelling uit Rusland’ is van begin tot eind heerlijk en meeslepend, en in gezwollen taal geschreven.

Tekening Paul van der Steen

Het is niet overdreven om te stellen dat Poubelle, Pieter Waterdrinkers vorige werk, de meest ambitieuze roman was van 2016. Volumineus, geopolitiek en actueel, een grondige poging om de smeerlapperij, het opportunisme en het koortsachtige streven naar erkenning – dit uiteraard allemaal ten koste van anderen – een gezicht te geven. Wessel Stols, de streber, werd kleurrijk, dampend en bloeddoorlopen neergezet.

En toch implodeerde de roman. Niet alleen viel het oordeel in recensies zuinig uit, het boek drong ook niet door tot de literaire prijzen. En ook een groot commercieel succes, zoals een roman van een vergelijkbaar grote greep als Bonita Avenue van Peter Buwalda ten deel viel, bleef uit.

Mijn eigen gebrek aan een volwaardige omarming had te maken met Waterdrinkers tekort aan subtiliteit: de grote aanloop naar Stols’ afgang werd naar behoren ingelost, maar toen het er vervolgens op aankwam om de antiheld met een fijnzinnige psychologische pen te beschrijven liet Waterdrinker het afweten: hij raffelde het af.

Op een bijveldje

Het is dat eeuwige schrijversdilemma van wat ik hier maar even ‘de sluis’ noem: op een gegeven moment valt die eventueel met geuren en kleuren beschreven Umwelt weg en moet je bij zo’n personage naar binnen, moet je alles wat er voorgevallen is op microniveau uit laten werken. Iemand als Coetzee kan bij wijze van spreken niet wachten om eraan te beginnen, anderen komen er nooit aan toe.

Het dunne applaus voor Waterdrinkers werkstuk viel niet goed bij de schepper. Toen Poubelle niet meedong in een NRC-verkiezing van de beste roman van het jaar, ging de schrijver vanuit Rusland, waar hij sinds jaar en dag als correspondent resideert, flink los op sociale media. Vriendjespolitiek, politieke correctheid, de geslotenheid van de grachtengordel, het waren allemaal factoren die er voor gezorgd hadden dat zijn boek op een bijveldje stond geparkeerd.

De échte revanche maakt Waterdrinker (1961) nu met Tsjaikovskistraat 40. Dat valt op de eerste plaats toe te schrijven aan het genre dat hij hanteert, want het boek is geen volbloed roman, maar een ‘autobiografische vertelling uit Rusland’, zoals het omslag meldt. Hierdoor ontkomt hij aan het strengere compositorische corpus van de roman en kan hij ongeremd bruisend-cataractisch schrijven zonder dat je daar als lezer aanstoot aan neemt. Anders gezegd: de anekdotische willekeur regeert. Personages (of personen) worden geïntroduceerd en verdwijnen weer functievrij van het podium, er is amper plot, een tweesporenstructuur van letterlijkheid en symboliek is zo goed als afwezig. Niet voor niets merkt Waterdrinker meermalen op dat alles in de wereld op toeval berust. En dat het via de literatuur aanbrengen van een structuur daarin, zo valt voorzichtig te concluderen, dus een valse weergave der dingen zou zijn.

Wat met deze veel minder pretentieuze inzet overblijft is een meeslepende, gezwollen vertelkracht die in een gepolijste roman dienend zou zijn aan iets Groters, maar die hier de kern vormt. Waterdrinker probeert in het boek in opdracht van zijn uitgever een non-fictiewerk over de Russische revolutie uit de grond te stampen, in verband met het honderdjarig jubileum hiervan. Het wil maar niet vlotten. Hij voert er wel van alles over aan (Lenin was ‘een ploert, een paranoïde tiran, sadist, moordenaar, wiens kale rotkop in de dagen dat ik studeerde in Amsterdam als posterheld de wanden sierde van krakersholen’), maar de opdracht zet hem toch vooral aan tot het trekken van een parallel tussen de tijding van anarchie van de revolutie en die van een tijd die hij zelf meemaakte, namelijk het kapseizen van de communistische heilstaat eind jaren tachtig. Goed, beide periodes werden gekenmerkt door grote veranderingen, maar een een-op-een-vergelijking?

Negentiende-eeuwse voorvaderen

Het mooie is dat die nogal gezochte theorie een mooi boek niet in de weg staat. Wie eenmaal accepteert dat de autobiografische verteller Waterdrinker zich gewoon niet kan inhouden om zijn eigen belevenissen te berde te brengen, is om. De schrijver is, zoals hij aan het eind opmerkt, ‘de fictie voorbij’. Wat houdt zoiets in, zul je je afvragen, de fictie is toch juist de verruiming van onze in feiten gerangschikte wereld?

Bij Waterdrinker komt het neer op een soort hyperrealisme, waarbij hij terugvalt op de gewenste volledigheid van zijn Franse en Russische, negentiende-eeuwse literaire voorvaderen, maar hij ook zó compleet verslag doet dat het ongeloofwaardig of over the top wordt. Want wie weet nog wat er allemaal aan spijzen en dranken op tafel stond, die en die avond, dertig jaar geleden? Waterdrinker wel, zogenaamd dan, en je wordt, net als op vele andere plekken, vergast op een dusdanig precieze en pompeuze opsomming dat Sjef van Oekels ‘Zuurkool met vette jus’ erbij verbleekt. Lange zinnen (van soms wel een pagina in lengte) en omschrijvingen die kostelijk zijn in hun overdrijving: ogen die de kleur hebben ‘van verschaald bier’ (verandert de kleur van bier als je het een tijdje laat staan?), een ‘spinaziegroen pand’ (verse of gekookte?) en een Russin met ‘mierikswortelkleurig haar’ (da’s net even een ander tintje dan ‘wit’). ‘Ik behoorde tot het absolute grondsop van de letteren’, knort Waterdrinker ergens. Het zou mooi zijn, en ook wel tijd worden, dat daar eens verandering in komt.

    • Sebastiaan Kort