Kinderen hoeven geen ‘natuurramp’ meer te zijn

De emancipatie van de vrouw

Vijftig jaar geleden verscheen het essay Het onbehagen bij de vrouw van Joke Smit. Vrouwen, schreef ze, moesten worden ‘losgekoppeld van de konijnen’. Sindsdien is er veel veranderd – maar veel ook niet.

Gezin in modern huis, vader rookt een pijp, moeder drinkt een kopje koffie en de kinderen dekken de tafel. 1964. Foto Hollandse Hoogte

Mannen hebben het heerlijk, vrouwen hebben het rot. Zo begon Joke Smit – of mevrouw E.J. Kool-Smit, zoals ze toen nog werd genoemd – vijftig jaar geleden haar essay ‘Het onbehagen bij de vrouw’ dat het begin van de Tweede Feministische Golf zou inluiden. Recht op betaald werk! Recht op een leven buitenshuis! Recht op abortus! Het essay verscheen in november 1967 in het tijdschrift De Gids. Het zou Smits eigen leven ook voorgoed veranderen.

Vóór die tijd was ze een keurig gekapte lerares Frans en schreef ze voornamelijk over Franse literatuur. Daarna werd ze fulltime voorvechter van de vrouwenzaak. Ze verruilde haar mantelpak voor een minirok, gooide haar geblondeerde haren los en sloot zich aan bij de PvdA. Wat bleef: haar calvinistische karakter (ze was streng christelijk opgevoed), haar arbeidsethos, haar intellectuele levenshouding. Het liefst, schrijft haar biograaf Marja Vuijsje, zat ze achter haar bureau en dacht ze na. Helaas had ze twee kinderen en een baan.

Joke Smit meende niet wat ze in die eerste zin schreef. Het was wat bij haar bleef hangen na lezing van Simone de Beauvoirs essay Le Deuxième Sexe uit 1949 dat de revival van het feminisme in Frankrijk had ingeluid. Dat mannen het heerlijk en vrouwen het rot hadden was niet waar, vond Joke Smit. In werkelijkheid, schreef ze, hadden de meeste mannen het óók rot. „Topdogs zijn nu eenmaal dun gezaaid.” Je kon zelfs stellen dat de meeste vrouwen een gemakkelijker leven hadden dan mannen. „Het is minder frustrerend routinewerk te verrichten als hoofd van een eenmansbedrijfje dan onder andermans toezicht.”

Zo relativeerde ze nog een paar alinea’s door – oorlog en honger zijn erger dan de „ongemakken” waar de Nederlandse vrouw mee kampt – maar daarna ging ze los. Waar hadden de feministen van de Eerste Golf (rond 1900) voor gestreden, naast kiesrecht? Dat de vrouw een vrij mens zou worden. Dat ze haar potenties zoveel mogelijk zou verwerkelijken. Dat ze een volwaardig lid zou worden van de maatschappij.

En wat was daarvan terechtgekomen? Bijna niets. „Vrouwen zijn net als vijftig jaar geleden huisvrouw en hebben geen verdere aspiraties.”

Zelf was ze een grote uitzondering. In 1967 had ongeveer 2 procent van de getrouwde vrouwen betaald werk, meestal in deeltijd en meestal in het bedrijf van haar man. En ongeveer 2 procent van de vrouwen was, zoals zij, universitair geschoold. (Van de mannen was het toen trouwens ook maar 6 procent.) Vrouwen met kinderen die fulltime werkten waren er sowieso bijna niet.

Kijk naar de getallen en je ziet dat er in vijftig jaar veel veranderd is. Van de vrouwen, al dan niet getrouwd, doet nu 71 procent minimaal één uur in de week betaald werk, van de mannen is het 82 procent. En jonge vrouwen hebben inmiddels vaker een diploma van het hbo of de universiteit dan jonge mannen: 50 procent tegen 40 procent. Het recht op abortus, een groot thema in ‘Het onbehagen’, is in Nederland nauwelijks nog een issue. Met de pil is ook normaal geworden dat vrouwen zelf bepalen of en wanneer ze kinderen krijgen. De wens van Joke Smit dat vrouwen zouden worden ‘losgekoppeld van de konijnen’ is in Nederland nu wel ongeveer verwerkelijkt.

Zou ze zelf vinden dat de emancipatie voltooid is? Ze kan er niet meer over oordelen, ze stierf op haar 48ste aan de gevolgen van kanker. Op het eerste cassettebandje dat ze in haar laatste levensjaar insprak voor de generaties na haar gaf ze een definitie van een moeder: „Iemand die leeggevreten wordt, en als ze leeg is, mag ze dood.” Het staat in de biografie van Marja Vuijsje. Joke Smit wilde niet de geschiedenis ingaan als een „cynische zeurkous”. Maar even toegeven aan een „nummertje zelfbeklag” mocht wel, vond ze.

Mazelen

Over zelfontplooiing en vrijheid, twee van de drie doelen in de Eerste Feministische Golf, schrijft Joke Smit nauwelijks in ‘Het onbehagen’. Ze concentreert zich op „de vrouw in de maatschappij”. Dat het daar zo hopeloos mee gesteld is, komt volgens haar door de „huidige vorm van het huwelijk”. Vrouwen maken zich afhankelijk van hun man en ze ontlenen hun status aan zíjn status. Zodra de kinderen geboren zijn komt ze terecht in een „natuurramp” waarin ze geen gedachte meer kan afmaken, geen krantenartikel meer kan uitlezen en elke dag opnieuw kan beginnen met schoonmaken en opruimen, tot ze vanzelf begint te denken dat dát het doel van haar leven is.

Zelf woonde Joke Smit in een flatje in Slotervaart toen haar kinderen werden geboren, destijds de nieuwbouw in Amsterdam-West. Ze vond het daar verschrikkelijk. Het isolement! De buurvrouwen! „Als andere kinderen mazelen hadden,” zei ze later eens in een interview, „hadden ze gewoon mazelen, maar als mijn kinderen mazelen hadden, kregen ze die omdat ik werkte”. Haar man, Constant Kool, een wiskundige die bij het CBS werkte, had zijn aandeel in het huishouden. Heel modern, maar zíj bleef verantwoordelijk. En ze werkte zoveel mogelijk thuis.

Kijken we weer even naar de cijfers. Vrouwen tussen de 20 en de 64 besteden nog altijd twee keer zoveel tijd aan het huishouden als mannen: 25 uur tegen 12,4 uur per week. Vrouwen besteden meer dan twee keer zoveel tijd aan de kinderen: 14 uur tegen 6 uur per week.

En dan het parttime werken, dat in Nederland voor vrouwen nu de norm lijkt te zijn: 73 procent werkt in deeltijd, gemiddeld drie dagen per week. Mannen: 21 procent deeltijd. Gemiddelde werkweek: 38,6 uur. En zo zal het voorlopig wel blijven, want van de meisjes wenst later 97 procent parttime te blijven werken als ze jonge kinderen hebben. De helft van hen denkt aan één of twee dagen per week, de andere helft aan drie of vier. En de jongens? Iets verandert er wel, want van hen wil 66 procent korter gaan werken als ze kleine kinderen hebben. Maar dan wel drie of vier dagen per week, zeker niet één of twee.

Het komt nog niet in de buurt van wat Joke Smit voor zich zag: dertig uur werken per week voor mannen én vrouwen, dan kon iedereen kinderen combineren met een volwaardige baan buitenshuis.

Geloofde ze dat vrouwen zich dan gelukkiger zouden voelen? Die vraag, schrijft ze aan het slot van ‘Het onbehagen’, werd haar nogal eens gesteld. Haar antwoord: „Daar weet ik niets van, en daar gaat het ook niet om.” Het ging haar erom dat mensen (mannen én vrouwen) die hun „potenties” verwezenlijken zich tevreden kunnen voelen, in plaats van gefrustreerd. En dat het iedereen voldoening geeft om gewaardeerd worden om wat je zelf kunt en niet om wat je man doet.