Opinie

Gelukkig oud worden in het verpleeghuis, dat kan echt

Waardige zorg in het verpleeghuis gaat niet enkel over hulp bij aankleden of iets tegen de pijn. Net zo belangrijk is een gesprekje over tuinieren of een samenzijn met kleinkinderen, betoogt .

Een ‘therapiepony’ in een woon-zorg- en revalidatiecentrum in Deventer. Foto Piroschka van de Wouw/ANP

Het leven in verpleeghuizen is onwaardig, klinkt het alom. In ons streven die zorg wel waardig te maken, geven we er veel geld aan uit en controleren we meer dan ooit. Maar wat verstaan we eigenlijk onder waardige zorg en hoe bepalen we dat echt?

Graag maak ik onderscheid tussen twee benaderingen. Ten eerste de normatieve, dominant in de professionele zorg en zeker in de geneeskunde. Die is vooral gericht op het beperken van het lijden, maximaliseren van autonomie en lijfelijke zelfredzaamheid. Traditioneel gaat het in de zorg over ziekte, symptomen, beperkingen en daarmee over negatief welbevinden. Vragen we aan mensen wat ze nodig hebben, dan spreken ze over hun behoeften: hulp bij wassen en aankleden, iets tegen de pijn. Deze behoeftegerichte zorg raakt aan het gedachtengoed van Schopenhauer, die stelde dat geluk een illusie is en we het reële lijden moeten beperken. Het rationele denken staat hierin voorop, met meetbare uitkomstmaten, uniforme richtlijnen en protocollen, waarbinnen alles geteld en vergeleken wordt. Als er eens iets misgaat, eisen we maatregelen. En volgen de dwingende richtlijnen en protocollen zich in rap tempo op.

Deze normatieve benadering gaat echter voorbij aan wat we ‘kwaliteit van leven’ noemen. Een narratief dat de nadruk legt op ervaringen en verlangens, die voor iedereen anders zijn en ook op individueel niveau in de loop van de tijd veranderen. De beleving van het moment zelf dus. Zorg waarin de ontmoetingen centraal staan. Vraag ik aan een 85-jarige wat er voor hem of haar het meeste toe doet, dan krijg ik verhalen over de kleinkinderen. Dat wordt belangrijkere naarmate andere activiteiten, zoals muziek maken, niet meer lukken. Maar hoe kun je de kwaliteit van een samenzijn met kleinkinderen vaststellen? Dat past niet in het normatieve kader.

Wat in de zorg vaak buiten beeld blijft: de persoon zijn die je graag wilt zijn in relatie tot anderen

Toch is het mogelijk. In het experiment ‘Leefplezierplan voor de zorg’ dat de Leyden Academy on Vitality and Ageing uitvoert in opdracht van het ministerie van VWS, stellen we de ervaringswereld van de oudere centraal, en de relaties met zorgverleners en belangrijke anderen. Dat is wat anders dan een zorgleefplan met concrete doelen: drie keer per week naar buiten, op woensdag naar de zang of uit de stoel leren opstaan. Natuurlijk, ook belangrijk, maar het belangrijkste blijft hierin buiten beeld: de persoon zijn die je graag wilt zijn in relatie tot anderen, dat wat nu betekenis heeft voor de identiteit van de oudere. Zo ontdekte een verpleegkundige dat een bewoonster vroeger veel tuinierde. Ze besloot haar om advies te vragen over de bloemetjes in haar tuin. Oudere en verpleegkundige werden er allebei heel vrolijk van. Dát is kwaliteit van zorg.

We zeggen al jaren dat we de normatieve regels en protocollen willen afbouwen, maar we blijven ze nog steeds stapelen. Niemand die komt kijken of er sprake is van relationele zorg, sensitiviteit, responsiviteit, respect voor verschillen. Bij het beantwoorden van de vraag ‘wat is goede zorg?’ zijn zowel de normatieve als de narratieve kwaliteit belangrijk. De uitdaging is om van deze twee rails een spoor te maken, en dat is nog niet zo makkelijk voor zorgverleners.

In de visiedocumenten van zorginstellingen en in de kwaliteitskaders van de gehandicapten- en de ouderenzorg staan beiden beschreven, maar ontbreekt het aan handvatten. De verantwoording gaat altijd over geld en wat er in de normatieve benadering goed en vooral niet goed gaat.

Uiteindelijk zijn het de ouderen in verpleeghuizen die bepalen wat goede zorg is. Als we hun kwaliteit van leven willen verbeteren, ligt de grootste winst niet in het verder beperken van narigheid. Laten we meer ruimte maken voor het leven zelf, met invulbare en niet-invulbare verlangens, en voor betekenisvolle ontmoetingen. En laten we accepteren dat deze kwaliteit maakbaar noch meetbaar is.

Deze tekst is een bekorting van de Els Borst Lezing, uitgesproken op 14 november.