Recensie

Er is geen tante die deugt

Saki & P.G. Wodehouse

P.G. Wodehouse is de mildere opvolger van zijn landgenoot Saki. Beiden floreren in sadistische humor, die koud wordt opgediend.

Als het over de Britse schrijver Saki gaat, komen vroeg of laat (meestal vroeg) zijn laatste woorden ter sprake. Ze staan ook weer vermeld op de achterflap van De complete verhalen, de Nederlandse vertaling van alle verhalen die Saki schreef. Een merkwaardige titel trouwens, De complete verhalen – alsof de uitgever lezers wil geruststellen die bang zijn met incomplete verhalen te worden geconfronteerd. Maar wat die laatste woorden betreft: Saki sprak ze uit in de Eerste Wereldoorlog, in een loopgraaf ergens bij de Somme. Een van zijn mannen stak een sigaret op, zich onbewust van het feit dat de rook zijn positie zou kunnen verraden. ‘Put that bloody cigarette out!’ snauwde Saki. Meteen daarna werd de schrijver, die in betere omstandigheden zijn zinnen uiterst zorgvuldig vormgaf, door een Duitse sluipschutter doodgeschoten.

Saki was het pseudoniem van Hector Hugh Munro (1870-1916), die na de vroege dood van zijn moeder werd opgevoed door twee tantes, bekrompen, strenge dames, die de inspiratie zouden vormen voor de vele onsympathieke tantes die in Saki’s verhalen figureren. Zo stond een van de tantes model voor de verschrikkelijke Mevrouw De Ropp, die in ‘Sredni Vashtar’, een van Saki’s beste en beroemdste verhalen, de strenge voogdes is van de ziekelijke jongen Conradin; ze komt gruwelijk aan haar eind.

Er is volop gruwel in Saki’s verhalen, en al die ellende wordt laconiek opgedist. Moord, doodslag en gezichtsverlies worden dikwijls slechts met een licht schouderophalen afgedaan. Dat werkt aanstekelijk, maar Saki’s tijdgenoten schrokken nogal van die vrolijke gewetenloosheid. Schrijvers als Evelyn Waugh en A.A. Milne zagen zijn kwaliteiten overigens wel.

De verhalen van Saki spelen zich af in Engelse upperclasskringen, de wereld van landhuizen, logeer- en jachtpartijen, gastvrouwen die de schijn ophouden en gasten die een overdreven idee van hun eigen belang met zich mee torsen. Saki mag graag door die verwaandheden heen prikken, en vaak laat hij dat doen door een buitenstaander die al dan niet voor zijn eigen plezier de boel op stelten zet.

Reginald, de titelheld van Saki’s eerste bundel, uit 1904, is zo’n vrolijke buitenstaander. In de verhalen en schetsen waarin hij de hoofdrol speelt, levert hij luchthartig en uiterst welbespraakt commentaar op de zeden en gewoonten van zijn comfortabele, ingedutte wereld. Soms eindigt dat in volstrekte chaos. In een latere bundel, De kronieken van Clovis, duikt een soortgelijke buitenstaander op: Clovis Sangrail. De verhalen waarin hij optreedt, zijn uitgewerkter dan die van Reginald, maar het idee is hetzelfde: ontregeling.

Cynische aforismen

Je zou kunnen gaan denken dat Saki maatschappijkritiek levert, maar van revolutionaire bedoelingen is geen sprake. Personages als Reginald en Clovis (er zijn ook nog andere, soortgelijke jongemannen) willen hun wereld niet kwijt, ze ergeren zich aan degenen met wie ze die wereld delen. Met hun gewetenloze intriges en cynische aforismen streven ze niet naar omverwerping van de gevestigde orde, ze willen andere, doorgaans oudere leden van die orde erop wijzen dat ze niet voldoen, dat ze tekort schieten in intelligentie en ruimdenkendheid. Ze gooien geen ruiten in, ze verbeteren hun uitzicht.

Het conservatieve wereldbeeld van Saki blikt ook uit zijn behandeling van de suffragettes, vrouwen die ijverden voor vrouwenkiesrecht. Vooral in zijn latere verhalen wordt regelmatig naar ze verwezen, altijd met minzame spot, als vrouwen die alles vernielen. Zelfs in een verhaal dat in het oude Rome speelt, verstoren ze de orde (waarna de wilde dieren op hen worden losgelaten).

Reginald en Clovis zijn droomversies van hemzelf, de buitenstaander die steeds weer zijn superioriteit bewijst.

Saki was zelf afkomstig uit wat door George Orwell werd omschreven als de ‘lower-upper-middle class’, hij maakte dus nét geen deel uit van de wereld die hij beschreef. Ook het feit dat hij als homoseksueel niet voor zijn geaardheid kon uitkomen (homoseksualiteit zou nog tot in de jaren zestig strafbaar blijven in Groot-Brittannië), droeg bij aan zijn besef van buitenstaanderschap. Dat de Reginald- en Clovisverhalen tot Saki’s beste behoren is geen toeval: hij stopte er zichzelf in. Reginald en Clovis zijn droomversies van hemzelf, de buitenstaander die steeds weer zijn superioriteit bewijst. Ook kinderen zijn buitenstaanders bij Saki, ook zij prikken door de schijn heen.

Saki’s beste verhalen fonkelen. Maar zijn productie was groot en niet alles is even scherp. Je vraagt je af waarom de uitgever voor een vertaling van de complete, sorry, van alle verhalen van Saki heeft gekozen, en niet voor een bloemlezing van de (vele) hoogtepunten uit het oeuvre. Sommige verhalen zijn gewoon erg flauw, andere zijn satires op Britse politieke omstandigheden die de Nederlandse lezer van nu niets meer zeggen. En als dan toch gekozen wordt voor volledigheid: waarom dan geen inleiding, een biografische schets, annotaties?

Aan de andere kant, ook op zwakke pagina’s wordt gefonkeld. Hoe verrassend de plots van de verhalen ook kunnen zijn, je leest Saki vooral om zijn zinnen. Geïnspireerd door de aforistische stijl van Oscar Wilde bracht Saki zichzelf de kunst bij om in een paar onderkoelde zinnen een personage of een situatie neer te zetten. A.A. Milne prees Saki vanwege zij talent voor het kiezen van het juiste woord, en over Saki schrijven is vechten tegen de neiging hem voortdurend te citeren, ook al laten die typische Saki-zinnen zich moeilijk uit het verhaal knippen zonder een deel van hun werking te verliezen. Zo begint het verhaal ‘Het dreigement’: ‘Sir Lulworth Quayne zat in de lounge van zijn lievelingsrestaurant, de Gallus Bankiva, en besprak de zwakheden van deze wereld met zijn neef die onlangs was teruggekeerd van een hoogst enerverende ballingschap in de wildernis van Mexico.’ Het kan ook korter en, gezien Saki’s biografie, onheilspellender: ‘Susan Mebberley was een charmante vrouw, maar ze was ook een tante.’ En zo wordt ergens ene James Cushat-Prinkley beschreven: ‘Hij waardeerde en bewonderde een groot aantal vrouwen en bloc en emotieloos, zonder er speciaal één uit te kiezen met het oog op een huwelijk, net zoals je de Alpen zou kunnen bewonderen zonder het gevoel te hebben één bepaalde bergtop voor jou alleen te willen hebben.’

Er gaat altijd iets verloren bij de vertaling van dergelijk proza, dat met vlijmscherpe beiteltjes is uitgehakt en vervolgens eindeloos glad geschuurd. Maar vertaler Stella Bromet is er met een mengeling van flair en dienstbaarheid in geslaagd de schade beperkt te houden.

Als het om de inhoud gaat, om de verrassende, soms bijna sadistische plotwendingen, kan Roald Dahl als erfgenaam van Saki worden beschouwd; als het om stijl gaat, om zinnen, is Saki’s landgenoot P.G. Wodehouse (1881-1975) een logische kandidaat. De laatste jaren verschijnen weer regelmatig nieuwe vertalingen van Wodehouse’ werk. Voorlopig laatste in die rij is Jeeves en de liefde. Een saaie titel, en ook het omslag is saai, alsof de uitgever tot op het laatste moment voor de lezer wil verbergen dat het hier gaat om een leuk boek, ideaal om bij een aangename kamertemperatuur van te genieten terwijl het buiten giet.

Absurde obstakels

The mating season heet het origineel van deze roman, en die titel geeft goed weer waar het hier om draait: iedereen is verliefd. Al die liefdes kennen uiteraard absurde obstakels die overwonnen moeten worden. Het is een van Wodehouse’ romans over Bertie Wooster en diens butler Jeeves, en dat betekent dat Bertie Wooster het verhaal vertelt, op zijn bekende, onbekommerde wijze. Die toon contrasteert hevig met het vormelijke, droog gekookte taaleigen van Jeeves, en alleen al dat contrast maakt deze roman onweerstaanbaar. Wel moet er een kanttekening bij de vertaling worden geplaatst: vertaler Beuger, minder dienstbaar dan Bromet, heeft hier en daar verwijzingen naar Nederlandse liedjes en literatuur ingepast, waarschijnlijk omdat hij dacht dat de originele Engelse verwijzingen de Nederlandse lezer niets zouden zeggen. Dat werkt niet. De door en door Engelse Bertie Wooster die het opeens over Pieter Stastok heeft, en over liedjes als ‘In een blauw geruite kiel’? Nee.

Jeeves en de liefde speelt op een landhuis waar Wooster zich voordoet als iemand anders omdat hij ervoor moet zorgen dat… Ach, het wordt alleen maar ingewikkelder. Wodehouse houdt ervan om verwikkeling op verwikkeling te stapelen tot het bouwwerk zo wankelt dat alleen Jeeves de wereld nog kan redden. Navertellen van het plot heeft geen zin, en bovendien, ook Wodehouse lees je uiteindelijk om zijn zinnen. Zie de manier waarop de nogal alcoholisch ingestelde Bertie jus d’orange beschrijft: ‘… het perverse drankje dat ontstaat wanneer men een sinaasappel op zo’n glazen bultje uitwringt.’ Wie daar niet om glimlacht, heeft bij Wodehouse niets te zoeken.

Behalve hun humoristische stijlgevoel hadden Saki en Wodehouse nog iets gemeen: tantes. Wodehouse had er twintig. Ook hij had als kind van alles met ze te stellen, en ook in zijn werk duiken ze veelvuldig op, met als meest prominente Tante Agatha, ‘die glasscherven eet en ratten doodbijt met haar blote tanden.’ Toch zijn Wodehouse’ tantes ongevaarlijker, zoals diens hele wereld milder is dan die van Saki.

Wodehouse schiep een onbekommerd Engels universum van eigen makelij waarin hij zijn personages liet rond dartelen, en bleef tot zijn dood over die wereld schrijven. In zijn wereldvreemdheid verzorgde hij in de Tweede Wereldoorlog, geïnterneerd in Berlijn, radio-uitzendingen die hem in zijn vaderland kwalijk werden genomen; hij had het goed bedoeld.

Bij Saki stond er meer op het spel. Zijn onbekommerdheid was sarcastischer, zwarter, eronder school frustratie. Toen er in 1914 oorlog uitbrak, nam hij dienst, ondanks zijn slechte gezondheid. Hij wilde geen erebaantje, hij wilde naar het front. Hij was een moralist geworden die zijn hoop vestigde op padvinders en soldaten; Reginald en Clovis waren in geen velden of wegen meer te bekennen. Maar hij bleef een observator. Het laatste stuk dat hij schreef, en dat ook is opgenomen in De complete verhalen, heet ‘Vogels aan het Westelijk Front’. Het is een sobere beschrijving van het gedrag van vogels in een aan flarden gebombardeerde wereld.