Recensie

De man achter Judas Dylan

The Band

Veel is over deze popgroep bekend. Maar nu komt gitarist Robbie Robertson met het ‘nieuws’ dat hij zijn medebandleden nooit financieel heeft benadeeld.

Ze hebben de anoniemste bandnaam die een popgroep kan hebben, en ze zijn tevens een van de bijzonderste bands uit de popgeschiedenis: The Band. Vier Canadezen en een drummer uit het diepe Amerikaanse Zuiden. Drie van hen voortreffelijke zangers, alle vijf virtuozen op hun instrument, met een oeuvre dat geldt als een definitieve vorm van Americana.

Het commerciële succes bleef beperkt, maar de lijst klassieke liedjes is groot. Hun verhaal is verschillende keren opgetekend, en nu gebeurt dat door Robbie Robertson (1943), de gitarist en belangrijkste liedjesschrijver. Zijn getuigenis, Testimony, begint als een traditionele autobiografie, maar gaat eigenlijk alleen om The Band.

Robertson wil namelijk rechtzetten dat hij zijn medebandleden financieel zou hebben benadeeld. Aanvankelijk werd de opbrengst netjes door vijf gedeeld, maar Robertson schreef de meeste liedjes en kocht de rechten van de rest, op een moment dat zijn bandgenoten in geldnood zaten. Na het uiteenvallen van de groep was hij degene die de meeste royalty’s kreeg.

Omdat Robertsons verhaal ophoudt in 1976, rept hij met geen woord over de ruzies die er later over zouden ontstaan – terwijl Testimony zonder kennis daarvan een merkwaardig boek is. Want wat wil Robertson ontzettend graag laten zien hoe veel hij van zijn bandleden houdt. Wat schrijft hij nadrukkelijk over zijn respect voor zijn bandgenoten. Wat zijn er veel wereldsterren die vertellen hoe goed ze The Band vinden, en vooral Robertson zelf. En hij vertelt hoe voorzichtig hij zelf was met drugs: het lijkt een rechtvaardiging voor het feit dat hij als enige rijk is geworden van zijn Band.

Het is niet zo dat Robertson onzin verkoopt: hij schreef inderdaad de meeste liedjes en was zonder twijfel het zakelijk brein van de band. Maar hij overschreeuwt zichzelf, waardoor zijn verhaal ongemakkelijk aanvoelt.

Toch staan er wel degelijk interessante stukken in het boek. Zo is het leuk om te lezen hoe hij zich als jong ventje steeds belangrijker wist te maken in de bands waarin hij speelde. Ook de manier waarop The Band zijn geluid ontdekte, is interessant. Ze speelden het liefst tegelijk, in één ruimte zodat ze elkaar konden zien. Je hoort het eraan af, de bijna telepathische verstandhouding die je het gevoel geeft dat de muziek gecreëerd wordt terwijl je ernaar luistert.

Robertson kan mensen mooi karakteriseren – Bob Dylan zag er op zijn huwelijksdag uit als ‘een immigrant die geprobeerd heeft zich aan te kleden voor Labor Day’. En de podiumpresentatie van Velvet Underground karakteriseert hij als de ‘Look we got guitars for Christmas-approach’. Maar niet elk grapje is even geslaagd. Om een bezoek aan Dalí te karakteriseren als ‘een surreëel idee’, dat is té flauw.

De snelle aftakeling van de band, die eigenlijk al gauw inzet, weet hij raak te treffen: de groeiende desinteresse in elkaar, het drugsgebruik, de drang tot zelfvernietiging. Er staat een foto in het boek van Bandlid Richard Manuel (1943-1986), poserend voor een geruïneerde auto, de zoveelste die hij in de prak had gereden. Hij heeft een gouden plaat in zijn handen en een sigaret geklemd in een verwrongen grijns: het moet allemaal vrolijk en nonchalant lijken, maar het ziet er vreugdeloos uit.

Fanatiek probeert Robertson nieuwe liedjes aan te dragen, en als die er niet zijn, nieuwe ideeën: een album met covers bijvoorbeeld. Een live-plaat. Zwakteboden. En als hij weer een keer als enige is komen opdraven voor een repetitie, voel je met hem mee. Dit krijgt hij niet meer aangezwengeld – en zo goed als op die eerste paar platen wordt het nooit meer, ook niet op The Last Waltz, het groots opgezette afscheidsconcert in 1976 dat voor Robertson het slotakkoord was.

Het mooist zijn de hoofdstukken waarin Robertson vertelt hoe het was om de begeleidingsband van Bob Dylan te zijn, tijdens de beruchte tournee van 1966. Het waren de optredens die Dylan in tweeën had verdeeld: een akoestische set, waarin hij de folkie-met-gitaar was die zijn geëngageerde liedjes speelde, en een deel met een stevige elektrische band: The Band dus, al heetten ze toen nog niet zo.

Avond aan avond was het publiek enthousiast voor Dylan solo, elke avond begon het boegeroep wanneer de rest zich bij hem aansloot op het podium. Toen er ‘Judas’ geroepen werd naar Dylan, was dat omdat Robertsons Telecaster zoveel herrie maakte. Dylan wist waar hij mee bezig was, en drong erop aan dat ze onverstoorbaar zouden doorspelen. Wat dit met het ego van de jonge muzikanten deed, schrijft Robertson mooi op: ze hadden het gevoel tussen de kannibalen te staan. Het creëerde in elk geval een onderlinge saamhorigheid die je op de beroemde eerste twee platen goed kunt horen. Hier stond een groep die álles aankon. Maar dat duurde maar een paar jaar.