Recensie

De collectie van een gulzige verzamelaar

De Borgmann schenking

De collectie die Thomas Borgmann aan het Stedelijk Museum schonk is nu te bezichtigen. „De kunsthistorische waarde is gigantisch.”

De speelse textielwerken van Cosima von Bonin in de erezaal van het Stedelijk Museum Amsterdam Foto Gert Jan van Rooij

Laten we het nu even niet over geld hebben. Wat de ruim tweehonderd kunstwerken die de Duitse verzamelaar Thomas Borgmann schonk aan het Amsterdamse Stedelijk Museum precies waard zijn, wordt op dit moment uitgezocht door twee onafhankelijke taxateurs. Zij zullen ook bekijken of de installatie van Matt Mullican en de zes schilderijen van Michael Krebber samen de anderhalf miljoen euro waard zijn die het Stedelijk ervoor betaalde – een aankoop die als voorwaarde aan de Borgmann-schenking verbonden was. Maar los van die economische waarde, is een minstens zo belangrijke vraag: hoe waardevol is deze donatie – de op één na grootste uit de geschiedenis van het museum – voor de collectie van het Stedelijk?

Wolfgang Tillmans, deranged granny (self), 1995. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam, schenking Thomas Borgmann, Berlijn

Vanaf dit weekeinde kunnen we dat gaan zien. Het Stedelijk heeft de hele bovenverdieping van de oudbouw leeggeruimd voor de Borgmann-schenking en dan nog past lang niet alles. Voor samensteller Martijn van Nieuwenhuijzen is het de grootste tentoonstelling die hij ooit als Stedelijk-conservator maakte, de inrichting van de dertig zalen kostte hem tweeënhalve maand.

Het merendeel van de geschonken werken stamt uit de jaren negentig en 2000. Dat is precies de periode dat Rudi Fuchs aan het roer stond van het Stedelijk, een directeur die in zijn aankoopbeleid minder aandacht had voor de recentste kunst. Fuchs verzamelde vooral werken van zijn generatiegenoten (Bruce Nauman, Gilbert & George, Markus Lüpertz), niet van jonge sterren als Paulina Olowska of Lucy McKenzie. Pas later, onder directeur Gijs van Tuijl, werden incidentele inhaalslagen gemaakt met aankopen van werken van bijvoorbeeld Cosima von Bonin en Wolfgang Tillmans. Zodoende vult deze Borgmann-schenking enerzijds een grote lacune, en sluit hij anderzijds ook mooi aan op enkele werken die al in de collectie aanwezig waren.

Lees ook over de Borgmann-schenking en de rol van Beatrix Ruf: Gratis kunst die stiekem toch 1,5 miljoen kost

Jack Goldstein, The Jump, 1978, 16 mm film, kleur. The Estate of Jack Goldstein. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam, schenking Thomas Borgmann, Berlijn

De kunsthistorische waarde van deze schenking is gigantisch. Neem alleen al de zaal met foto’s van Wolfgang Tillmans, de Duitse fotograaf die sinds eind jaren tachtig op niets verhullende wijze zijn persoonlijke leven en dat van zijn vrienden vastlegt. Borgmann kocht al zijn zelfportretten, die samen een fascinerende deelverzameling vormen binnen Tillmans’ oeuvre. Als collectioneur legde Borgmann een enorme gulzigheid aan de dag. Was hij fan van een kunstenaar dan wilde hij alles van hem of haar hebben. Dankzij die gretigheid heeft het Stedelijk nu in één klap het hele filmische oeuvre bijeen van de Amerikaanse kunstenaar Jack Goldstein. En Cosima von Bonin, die als spilfiguur in de Keulse kunstscene de erezaal mocht vullen met haar speelse textielwerken, had met gemak nog een tweede erezaal kunnen inrichten, zoveel sculpturen van haar had Borgmann in zijn bezit.

Allesbehalve vermogend

Als assistent van de Keulse galerie Rudolf Zwirner was Thomas Borgmann (Hamburg, 1942) allesbehalve vermogend toen hij in de jaren zestig begon met verzamelen. Van zijn maandelijkse salaris van 200 Duitse Mark legde hij steeds iets opzij om werken op papier te kopen van kunstenaars als Sigmar Polke en Bruce Nauman. Eind jaren zestig, toen hij naar New York was verhuisd en in het Chelsea Hotel woonde, kocht hij voor relatief lage prijzen topschilderijen van Andy Warhol en Cy Twombly die hij in Europa met veel winst kon verkopen. In de jaren tachtig, toen hij zijn eigen galerie had in Keulen, was hij de eerste Duitse verzamelaar die werken aanschafte van Amerikaanse kunstenaars als Jeff Koons en Cindy Sherman, die hij later weer voor veel geld verkocht. Zo, door steeds delen van zijn collectie af te stoten, vergaarde Borgmann zijn fortuin.

Jutta Koether, zaalopname Jump into the Future - Art from the 90’s and 2000’s.

The Borgmann Donation. Foto Gert Jan van Rooij
Martin Kippenberger, Heavy Burschi, 1989-1991.

Bruikleen Thomas Borgmann, Berlijn. Foto Gert Jan van Rooij
Jutta Koether, zaalopname Jump into the Future - Art from the 90’s and 2000’s. (l), Martin Kippenberger, Heavy Burschi, 1989-1991 (r)
Foto’s Gert Jan van Rooij

Zijn band met het Stedelijk dateert al van een halve eeuw geleden. In die vroege jaren zestig was het museum een van de weinige plekken in Europa waar hedendaagse kunst getoond werd. In een interview in de catalogus vertelt de verzamelaar hoe hij in die tijd regelmatig op pelgrimstocht ging naar Amsterdam. „Een vlucht naar de toekomst”, zo noemt Borgmann die uitstapjes. „In het Stedelijk kon je de avant-garde zien en kon je zien hoe een progressief museum werd geleid.” Hij herinnert zich nog goed de sensatie die hij voelde toen hij de eerste keer oog in oog stond met het drieluik As I opened Fire (1964) van Roy Lichtenstein. „Het was als staren naar een wonder.” Het idee om zijn collectie te schenken aan het Stedelijk speelde al jaren door zijn hoofd. Directeur Beatrix Ruf hoefde alleen nog maar te beloven dat zijn collectie bij elkaar zou blijven.

Nu alles is uitgestald, is goed te zien hoe obsessief veel Borgmann gekocht heeft. Dit is geen verzameling kleine werkjes, maar een serie zaalvullende installaties die alleen in een museum goed tot haar recht komt. Het werk Subject Driven (1978-2008) van Matt Mullican bijvoorbeeld, bestaat uit meer dan 300 objecten die verspreid zijn over vijf zalen en zo een solotentoonstelling op zich vormen. En ja, voor zo’n encyclopedisch overzicht lijkt 750.000 euro nog niet eens zo’n gekke prijs.

Enrico David, Bulbous Marauder, 2008.
Collectie Stedelijk Museum Amsterdam, schenking Thomas Borgmann, Berlijn. Foto Gert Jan van Rooij

Tegelijkertijd is dit natuurlijk de smaak van één man en daarmee automatisch een eenzijdige visie. Verwacht op deze tentoonstelling geen overzicht van de jaren negentig. Daarvoor heeft Borgmann zijn blik te veel gericht op kunstenaars uit zijn eigen Keulse scene. Zijn voorkeur gaat uit naar kunstenaars die vrij conceptueel werken en, in de geest van Marcel Duchamp, gebruik maken van ready-mades . Er was uiteraard veel meer gaande in dit decennium (video, sociale sculptuur, niet-westerse kunst). Maar deze tentoonstelling biedt in ieder geval een fraai tijdsbeeld dat we in het Stedelijk nog niet vaak te zien kregen.

Christopher Williams, Angola to Vietnam*, 1989. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam, schenking Thomas Borgmann, Berlijn. Foto Gert Jan van Rooij