Opinie

Zuidas moet sociale advocatuur te hulp schieten

Sociale advocaten verdienen zo slecht dat weinigen zich nog aangetrokken voelen tot het vak. Daarmee komt de toegang tot het recht voor minderbedeelden in gevaar, schrijven oud-deken , hoogleraar en vier advocaten.

Binnenhof, 17 juni 1999. Toen al werd er door de sociale advocatuur gedemonstreerd voor verhoging vergoedingen in de gesubsidieerde rechtshulp.

Het regeerakkoord leert dat er geen extra geld naar sociale rechtsbijstand gaat. Dit terwijl sociale advocaten op gebieden als familierecht het water aan de lippen staat. Het aantal advocaten dat dit kundig en uit overtuiging doet, slinkt al tijden. Ondertussen verdienen commerciële advocaten geregeld een veelvoud van de Balkenendenorm. De Zuidas heeft geld en talent, waarom zetten we die niet in?

De oplossing is echter nog niet zo eenvoudig. In ieder geval is het geen goed plan als jonge Zuidas-advocaten prodeo-zaken gaan doen. Zij ontberen de benodigde expertise en ervaring. Het lost ook niet het probleem op dat sociale advocaten te weinig verdienen. Gevolg is dat weinigen zich nog aangetrokken voelen tot het vak. Voor de rechtzoekende blijven, als de bezuinigingsplannen van het ministerie doorgevoerd worden, mogelijk alleen de advocaten over die zonder enige betrokkenheid en met zo min mogelijk inspanning dit werk erbij doen. De kwaliteit is dan ver te zoeken.

Lees ook de column van Folkert Jensma: ‘Advocaten, spreek elkaar aan op wat rechtvaardig is’

We zullen dus andere oplossingen moeten vinden. In dat verband hebben wij de afgelopen twee jaar gewerkt aan een fonds dat gevoed zou worden door de grote kantoren met geld en toegang tot kennis en waarmee onder meer opleidingsplaatsen in de sociale advocatuur kunnen worden bekostigd. Een druppel op de gloeiende plaat wellicht, maar het had een begin kunnen zijn van iets moois.

Delen van kennis, beurzen voor opleidingen

Punt is dat dit soort plannen eigenlijk niet goed zonder steun van de Orde van Advocaten kan. Die is echter terughoudend en dat heeft twee oorzaken. De Orde wil voorkomen dat de politiek aanleiding ziet om de rekening structureel bij haar te leggen, terwijl toegang tot het recht toch een overheidstaak is. Daarnaast is er in de Orde (en vermoedelijk juist ook bij de kleinere kantoren) niet genoeg draagvlak om eigen middelen te bestemmen voor deze taak.

En hier wringt hem de schoen: de Orde is een publiekrechtelijk lichaam, belast met de zorg voor een goede rechtsbedeling. Kerntaak is dus niet om de inkomens van advocaten te beschermen. Toch is het zaak dat de Orde zich dit probleem aantrekt, ook als het geld kost. Doet de Orde niets dan kan de politiek voorwaarden verbinden aan verlening van het procesmonopolie (procesmonopolie betekent dat je soms alleen met hulp van een ‘echte’ advocaat, dus niet een juridisch adviseur, mag procederen). Zo’n voorwaarde voor advocaten die begunstigd worden door het procesmonopolie kan een lawyerstax (zoals in Engeland) zijn of een quotumwet die iedereen verplicht een aantal zaken te doen voor onvermogenden. Die zaken kan de commerciële advocatuur dan laten uitvoeren door een hierin gespecialiseerd kantoor.

Lees ook het opiniestuk van advocaat Bert van Mieghem: ‘Dure advocaat moet ook pro deo werken’

Dat zijn vergaande maatregelen waar weinig advocaten op zitten te wachten. Als zij dat niet willen zal de Orde haar achterban moeten uitleggen dat andere oplossingen nodig zijn. Een begin kan zijn om fondsen op te richten waarin dure kennis en managementondersteuning gedeeld worden met de sociale advocatuur. Ook kan gedacht worden aan beurzen die jonge sociale advocaten in staat stellen hun beroepsopleiding te financieren. Deze is voor alle advocaten even duur, maar voor sociale advocaten een investering van jewelste.