Opinie

Hoger opgeleiden betalen zelden de prijs voor hun politieke correctheid

De politieke keuzes van hogere opgeleiden zijn sterk moreel gemotiveerd. Max van Duijn verwacht meer van deze groep mensen.

„Het is essentieel dat hoogopgeleiden zich niet conformeren aan hun sociale groep.” Foto: ANP / Jeroen Jumelet

‘Politiek is een natuurlijke activiteit, politiek bedrijven is datgene waardoor de mens anders is dan dieren”, schreef hoogleraar Margo Trappenburg in haar Inleiding staatkunde (1995). Zo werd er in het oude Griekenland gedacht: politiek was het middel tot heldendaden en toespraken die bewaard en doorgegeven konden worden aan het nageslacht.

De democratie is daarom niet individueel van karakter, maar een collectieve activiteit van een lotsgemeenschap. Deze gedachte zien we het sterkst bij de filosoof Rousseau. Hij stelt dat de samenleving een morele transformatie moet doorgaan, om een politieke lotsgemeenschap te worden. Men ziet zich niet meer als individu, maar als onderdeel van het collectief met een algemene wil – volonté générale.

Burgers moeten dus hun eigen belangen overstijgen om zo het algemene te dienen. De politieke strijd wordt dus niet ervaren als botsende deelbelangen tussen bepaalde groepen, integendeel, de volonté générale is niet alleen onvervreemdbaar, zij is ook ondeelbaar. En die homogene opvatting van het volk zien we nu vooral terug bij het populisme, dat de wil van de meerderheid centraal stelt. Dit is het ‘democratische ideaal’ – burgers die hun eigen belangen kunnen overstijgen en zo beslissingen kunnen nemen die het beste zijn voor de samenleving als geheel. En juist van hoogopgeleiden verwachten we dat zij hiertoe het best in staat zijn. Immers, met een academische achtergrond word je geacht een nieuwsgierige, en onderzoekende natuur te hebben.

Het tegendeel is waar. Hoogopgeleiden bepalen hun standpunt door de sociale groep waar ze bij willen horen. „In het algemeen zijn de beter opgeleiden meer geneigd irrationele politieke opvattingen te hebben en meer geneigd tot politieke hysterie dan slechter opgeleiden”, schreef Brexit-campaigner Dominic Cummings in The Spectator. Daarom heeft een rationele discussie over politiek onder hoogopgeleiden nauwelijks zin, omdat zij de politiek vanuit morele benaderingen bezien.

„Hoger opgeleiden denken bij uitstek dat zij zich niet voor de gek laten houden. Ze sluiten zich aan bij het in hun sociale groep populaire standpunt en houden zich vervolgens voor de gek dat ze via intelligent redeneren tot dat standpunt zijn gekomen”, zei Cummings verder. Zo is de massale immigratie goed, vanuit barmhartigheid en solidariteit. En klimaatverandering is al helemaal een moreel thema, verweven met schuld en boete.

De duistere zijde van deze morele benaderingen is dat hoogopgeleiden zelden de prijs betalen voor hun politiek correcte standpunten. „Zij hebben er geen last van dat de lonen van bouwvakkers worden gedrukt door Poolse bouwvakkers, integendeel. Asielzoekers worden zelden ondergebracht in wijken van hoog opgeleiden”, schrijft Elsevier-redacteur Syp Wynia. En ook in ons parlement is bijna iedereen hoogopgeleid, waardoor de stem van laagopgeleiden minder wordt gehoord.

Hoogopgeleiden moeten zich daarom bewust worden dat zij slechts een minderheid zijn. Ze moeten zich losmaken uit hun eigen belangen, om zo hun leefwereld te overstijgen. Persoonlijk heb ik geen last van de open grenzen en globalisering, sterker nog, ik profiteer hiervan. Ik kan in het buitenland gaan studeren en werken. Maar de mensen die meer aan Nederland gebonden zijn – bijvoorbeeld verplegers, winkeliers en politieagenten – hebben niet die gunstige positie. Het is daarom een opdracht aan hoogopgeleiden om hier bewust van te worden.

Een opdracht om dat morele fanatisme te laten rusten. Het is essentieel dat hoogopgeleiden zich niet conformeren aan hun sociale groep, maar juist doen wat er van hen wordt verwacht: nieuwsgierig blijven en met een onderzoekende natuur de wereld proberen te begrijpen.