Column

De schrijver in zijn eigen taalgebied

Op 1 november is Vladimir Makanin overleden. Hij was een innemende man en een belangrijke Russische schrijver. Zijn roem dankte hij vooral aan zijn roman Underground of een held van onze tijd. Het is het verhaal van een vastgelopen schrijver die op drift raakt in het chaotische Rusland van de jaren negentig, twee moorden pleegt en in een psychiatrische inrichting belandt.

In 1999 interviewde ik Makanin over dat boek. Toen we het over zijn thematiek kregen, omschreef hij die als het overleven van een mens in een onvoorspelbare en genadeloze wereld. Niets nieuws onder de zon, dacht ik toen, al moest Poetin nog aan de macht komen om zijn land nog onvoorspelbaarder en genadelozer te maken.

Tijdens dat interview vertelde Makanin waarom hij in de dagen van de Sovjet-Unie nooit in ballingschap was gegaan: hij kon publiceren wat hij wilde, zolang dat maar niet in toonaangevende tijdschriften gebeurde en hij niet teveel opviel. Die bekentenis verbaasde me, omdat Makanins absurdistische, amorele verhalen en romans over het dagelijkse leven in de Sovjet-Unie weinig gemeen hebben met de officiële Sovjet-literatuur en hij toch een zeker risico moet hebben gelopen. Maar tegelijkertijd kon ik begrip opbrengen voor zijn standpunt. Een schrijver moet nu eenmaal rondlopen in de wereld waar zijn taal wordt gesproken en zijn boeken worden gelezen.

Onlangs besefte ik dat laatste weer eens toen ik Hel en paradijs van de Duitse schrijfster Bettina Baltschev las. Het is een smakelijk portret van Duitse exilschrijvers zoals Joseph Roth, Klaus Mann en Irmgard Keun, die Duitsland ontvluchtten na het aan de macht komen van Hitler en in Nederland belandden. Tot 10 mei 1940 zouden hun boeken bij de legendarische Amsterdamse uitgeverijen Querido Verlag en Allert de Lange gewoon in het Duits verschijnen en over de rest van Duitssprekend Europa worden verspreid.

Baltschevs boek leest als een reis door de geschiedenis. Het begint in het Amsterdamse antiquariaat Kok, waar de schrijfster de in 1938 bij Querido Verlag verschenen roman D-Zug dritter Klasse van Irmgard Keun koopt. Voor Keun heeft ze een zwak dat ik deel, want haar geestige en pittige romans over jonge, geëmancipeerde vrouwen, zoals Het kunstzijden meisje, kunnen het opnemen tegen de beste moderne fictie.

Het literaire leven van exilschrijvers en exiluitgevers in Amsterdam beschrijft Baltschev met veel empathie. De exorbitante voorschotten eisende Joseph Roth dronk zich lam in De Engelse Reet, waar hij wordt herdacht met een gouden plaquette waarop staat Joseph Roth, 1894-1939, journalist en schrijver, stamgast tijdens het interbellum . Klaus Mann woonde in pension Hirsch achter het Concertgebouw en maakte wandelingen door het Vondelpark.

Toen de Duitsers in 1940 Nederland binnenvielen, waren de meesten van hen al naar Engeland of Amerika gevlucht. In het bezette Europa waren hun boeken verboden. Ze waren van hun taalgebied afgesneden.

Joseph Roth was toen al een jaar dood, maar Keun legt zijn alter ego in Kind aller Länder de volgende woorden in de mond als hij weigert om met de vertelster per schip naar Amerika te vluchten: ‘Natuurlijk is mijn leven hier een hel, maar wat moet ik daarbuiten? Zonder geld en zonder de mogelijkheid geld te verdienen. Zonder geloof in God, zonder geloof in de mensen, zonder geloof in communisme en socialisme, zonder geloof in verandering en verbetering de komende decennia.’ Door die woorden begreep ik Makanins besluit om in de Sovjet-Unie te blijven volledig.