Opinie

    • Japke-d. Bouma

De kloof met de grachtengordel

Japke-d. Bouma schrijft elke week over de taal die ze om zich heen hoort. Deze week: kloven in Nederland.

Als de winter nadert en de wind weer guurder wordt, ontstaan ze overal in ons land: kloven en kloofjes. Ik krijg ze zelf altijd in de huid van mijn linkerhiel, maar ze ontstaan ook tussen stad en platteland, tussen regio en grachtengordel en tussen provincie en Randstad.

Seizoensgebonden kloven zijn heel pijnlijk en vallen erg op, maar de meeste kloven in ons land liggen er al eeuwen. Die tussen hoog- en laagopgeleiden bijvoorbeeld, die tussen jong en oud, tussen links en rechts, tussen wit en zwart, tussen burger en politiek, tussen arm en rijk. Je zou ze zo op een hoogtekaart kunnen intekenen. Iedereen weet waar ze liggen, navigeert er feilloos omheen of overheen – we zijn niet voor niets een land van bruggenbouwers – en als er geen blokkades op de snelweg zijn, is het land prima bereikbaar.

Ik bedoel: in Nederland rijden we liever over of om onze kloven heen, dan dat we ze gaan bekijken. We houden niet zo van hoogte, maar al helemaal niet van diepte. In het buitenland rijden we honderden kilometers om kloven te zien, dalen we er met stijgijzers in af, blijven we er onderop de bodem in slapen en genieten we van het zonlicht dat er zijn laatste of eerste stralen overheen schijnt. Maar in Nederland doen we liever of er geen kloven zijn, of stellen we voor er tijdelijk even niet over te praten. Want anders wordt het zo’n geschreeuw en dat is niet gezellig.

Ik denk niet dat kloven dichtgaan door ze te negeren. Je kan er beter uierzalf op smeren

Ik denk niet dat kloven dichtgaan door ze te negeren. Ik denk dat we ze beter kunnen gaan bekijken. Het is niet verstandig een gapend gat te negeren. Je kan er beter uierzalf op smeren, of er in ieder geval over praten. Je zou in elke kloof moeten afdalen om hem te doorgronden, helemaal tot de bodem, en niet bang moeten zijn voor wat je tegenkomt.

Soms kan een kloof trouwens ook best lekker zijn. Prima aanleiding om eens goed na te denken aan welke kant je staat en daar dan te gaan staan, met een groot gat tussen jou en de ander. Sommige kloven moet je ook gewoon koesteren. De kloof tussen mij en de grachtengordel bijvoorbeeld, met zijn rolkoffers, Nutella-winkels en de pandjes van Prins Bernhard jr., die kan wat mij betreft niet diep genoeg zijn.

Maar verder zouden we de kloven in ons land best wat vaker in de afgrond mogen kijken. En dan niet alleen de seizoensgebonden, maar ook de eeuwige. Dan zie je bovendien dat hoe rauw ze soms ook lijken, de meeste kloven in Nederland langzaam dichtgaan.

Ik ben überhaupt vrij optimistisch over kloven. Want al kost het vaak veel moeite om er een over te komen, als je dat eenmaal gedaan hebt, blijkt de kloof vaak kleiner dan je dacht of helemaal nooit te hebben bestaan en wil je vaak niet meer terug of ben je eigenlijk nooit weggeweest.

Een kloof is sowieso eigenlijk iets positiefs. Want een kloof is iets waarvan je de overkant kunt zien.

En zolang je de overkant kunt zien, is er hoop.

Taaltips via Twitter op @Japked.
    • Japke-d. Bouma