Buikpijn

Anne Hermans is huisarts in Nieuw-Zeeland. Ze schrijft columns op basis van haar ervaringen.

Ik lees de brief van St Joseph’s School opnieuw: „Het afgelopen half jaar is Belinda gemiddeld één op de vijf dagen op school geweest.”

De directrice schrijft dat ze zich al maanden zorgen maakt, maar geen contact met me kon opnemen, omdat Belinda’s ouders dat verboden hadden en hen hadden bedreigd. Maar dat ze, nu Belinda een week geleden van school gewisseld is, toch haar zorgen wil delen.

Ik zak achterover in mijn stoel, zie Belinda en haar moeder weer voor me. De familie was een jaar geleden naar ons dorp verhuisd. Belinda had last van buikpijn en afwisselend obstipatie en diarree. Moeder vertelde dat Belinda bang was per ongeluk in haar broek te poepen en dat ze haar daarom soms thuishield van school. Al het aanvullend onderzoek had normale uitslagen. Ze zag de kinderarts, die het met me eens was dat prikkelbaredarmsyndroom de meest waarschijnlijke diagnose was, met onderliggend een angststoornis en problemen in het gezin. De school had grote zorgen over haar leerachterstand. Omdat op haar vorige school dit patroon al jaren gaande bleek, werden in samenwerking met de verzuimambtenaar en zelfs de kinderbescherming een sociaal werker en psycholoog ingeschakeld. Er kwam een afspraak dat Belinda elke keer als ze school zou missen langs de huisarts moest en daarvan een bewijs aan de school overhandigen. Waterdicht leek ons plan… een jaar geleden. Met een zucht open ik het dossier. Ze heeft de kinderarts tien maanden geleden voor het laatst gezien. Mijn eigen laatste consult met Belinda was bijna een jaar geleden.

Waarom onttrekt de familie zich aan alle hulp, terwijl het meisje thuiszit? En hoe kon ik zo naïef zijn ervan uit te gaan dat het plotseling beter ging? Ik ben nota bene de ‘child protection officer’ van de praktijk.

Ik bel de moeder van Belinda. „She is much better”, verzekert ze me. „Een check-up is echt niet nodig.” Als ik haar vertel dat ik van de school heb begrepen dat Belinda vaak afwezig is, ontploft ze: „Why don’t they leave us alone?” Ze eist het volledige medische dossier van haar dochter, inclusief alle correspondentie met de school en hangt op.

Ik bel met de kinderbescherming en de medisch-juridische hulplijn. Kan ik het verdedigen om de brief van school niet aan moeder te geven? Volgens de juriste kan dat alleen als er harde aanwijzingen zijn dat dit de veiligheid van betrokken personen in gevaar brengt. De kinderbescherming belooft een sociaal werker ‘op de familie te zetten’.

Ik bel de directrice en kan het niet laten te vragen waarom ze niet eerder aan de bel heeft getrokken. Ze barst in tranen uit. „Ik wou dat ik u nóóit geschreven had!” snikt ze. „Wie weet wat er gebeurt als die familie mijn brief in handen krijgt? U belt me om te zeggen dat u mijn leven in gevaar gaat brengen en tegelijkertijd zet u me op mijn nummer dat ik het niet goed heb gedaan?”