Opinie

    • Ellen Deckwitz

Belletje

Omdat mijn tachtigjarige vader qua motoriek een kneus is, viel hij laatst op een paaltje van dertig centimeter en hield daar twee gebroken ribben aan over. In het ziekenhuis bleek na een scan dat er meer mis was, maar goed, dat viel ook wel te verwachten, hij rookt een meter sigaretten per dag en spoelt die weg met whiskey. Twee donkere plekken in zijn longen bleken op het nippertje goedaardig, maar toch moet hij in december onder het mes, om een aneurysma een halt toe te roepen. Los daarvan heeft hij sinds een maand ook nog eens een vrij ranzige bronchitis. Van een senior met ADHD is hij in enkele maanden veranderd in een trage bejaarde. Ik slaap slecht.

Ik ben mijn hele leven al bang dat ik mijn vader vroeg zou verliezen (omdat ik tweede leg ben, had ik altijd de oudste pa van de klas), maar nu zijn sterfelijkheid steeds aannemelijker wordt, heb ik het er nog veel moeilijker mee dan verwacht. Vroeger belde ik elke week met mijn vader, nu pak ik met moeite de telefoon. Ik weet niet eens zeker waarom. Misschien omdat ik bang ben om domme dingen te zeggen en het op de valreep toch nog als kind verknal. Waarschijnlijk vooral omdat het einde van gesprekken met hem in zicht komt.

Wat ook niet helpt is dat ik onlangs de roman Extremely Loud and Incredibly Close van Jonathan Safran Foer heb herlezen, over de negenjarige Oskar Schell die op 11 september 2001 zijn vader, die dan in het WTC werkt, verliest.

Oskar is op die dag alleen thuis en ziet op tv het eerste vliegtuig inslaan. Dan gaat de telefoon, die hij laat overgaan. Hij hoort vervolgens zijn vader de voicemail inspreken: dat hij boven in een van de torens zit, dat hij nog leeft, dat hij smeekt dat iemand de telefoon opneemt. Zijn vader belt en belt, en Oskar durft de hoorn niet op te pakken. Waarom weet hij zelf niet. Misschien omdat hij wel doorheeft dat dan het definitieve gesprek zal moeten plaatsvinden. Een afscheid waar het, zoals met ieder afscheid, nog veel te vroeg voor is. Het WTC stort in. De telefoon gaat niet meer over.

Misschien is het dat soort definitiefheid die het steeds moeilijker maakt om mijn vader te spreken. Elk gesprek is beladen. Toen ik dat laatst tegen hem zei moest hij lachen.

“Ach, dan is het het laatste gesprek, wat maakt dat nou uit, ik zie je wel weer in het crematorium dan!”, hoestte hij opgewekt. Ja, dacht ik, die heeft makkelijk praten. Hij hoeft zichzelf niet te missen.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz