‘Ik ben geen racist, maar…’

De gevoelens van frustratie en onmacht zijn reëel, maar is het racisme? Wie onderscheid maakt op uiterlijke kenmerken, is zich dat soms niet bewust. Of noemt discriminatie anders.

Het monument in het Amsterdamse Vondelpark voor de vermoorde Kerwin Duinmeijer , symbool voor racistisch geweld, werd in 1984 met witte verf beklad/ Foto Anefo

‘Ik ben een racist, omdat ik me goed voel in de welvaart waarvoor ik zelf gewerkt heb. Ik ben een racist, omdat ik denk dat een ongecontroleerde immigratie van grotendeels ongekwalificeerde jonge mannen deze samenleving problemen zal bezorgen. […] De media geven me gelijk: ik ben een racist. Je leest het elke dag. Ik ben ook rechts-extreem en drab. Ik ben tuig en afgehaakt. Ik haat modernisering en leef in een bruin moeras.”

Deze post wordt de laatste tijd veel gedeeld via Facebook. Een van de mensen die hem deelden, wil via de chatfunctie wel uitleggen waarom: „Vele Nederlanders zijn het zat zoals het tot nu toe gaat. En omdat ik er zo over denk, word je al snel voor racist uitgemaakt in Nederland en ja, daar hoor ik dan ook bij. Ook al voel ik het zelf niet zo.”

Zeven decennia na de Tweede Wereldoorlog is het antiracisme er in Nederland stevig ingeheid. Zo stevig dat vrijwel niemand zichzelf een racist noemt en dat vrijwel iedereen die zich ook maar in deze richting líjkt te uiten, opspringt als die voor racist wordt uitgemaakt. „Dat heeft onder meer te maken met de erfenis van de Holocaust”, zegt Hans Siebers, universitair hoofddocent culturele studies aan de universiteit van Tilburg. „Het idee van een superieur Arisch ras, dat is zuiver racisme. Daar willen we ver van wegblijven.” Misschien verklaart dat, in de Zwarte-Pietendiscussie of in debatten over immigratie, de geijkte formulering: ‘Ik ben geen racist, maar…’

Lucienne Gena, directeur van het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam (MDRA), noemt racisme eerder iets „alledaags”. In het jaarverslag beschrijft het Meldpunt een inderdaad alledaags voorbeeld. Een jongetje met een bruine huidskleur neemt deel aan schoolzwemmen. Op een zeker moment zegt de zwemjuf tegen hem en een ander jongetje met een migratie-achtergrond dat „bruine mensen niet kunnen drijven, blanke mensen doen dat al veel langer”. De moeder van het jongetje vraagt de zwemjuf hoe ze daarbij komt. De zwemjuf verwijst naar onderzoeken die zouden hebben aangetoond dat de bouw en ook het ‘drijfpunt’ van donkere kinderen anders is.

Lees ook: Hoe sorteren van de soort uitdraaide op rassenwaan

Na een melding vraagt het MDRA om welk onderzoek het gaat; het wordt niet gevonden. Als het idee gemeengoed lijkt te zijn onder zweminstructeurs, gaat het MDRA begin 2017, onder leiding van de gemeente Amsterdam, met alle zwembadmanagers en instructeurs in gesprek. Het handboek voor schoolzweminstructeurs is bijgesteld; er mogen geen opmerkingen over afkomst meer gemaakt worden, „op straffe van een waarschuwing”, zo heeft Gena van de gemeente begrepen.

In Amsterdam en de zuidelijke buurgemeenten is discriminatie op grond van afkomst en/of huidskleur veruit de meest voorkomende categorie: 314 klachten in 2016. In november 2017 staat de teller al op 331. Het gebeurt meest op de werkvloer, maar ook in de openbare ruimte of in winkels. En op scholen, zegt Gena. „Een kind hoort van een klasgenoot ‘je ziet eruit als diarree’ en de docent reageert dan met: ‘Kinderen moeten zich leren verweren tegen zulke uitspraken.’ Of een docent die leerlingen met een andere huidskleur steevast ‘aapjes’ noemt.”

De laatste zestig meldingen die het MDRA kreeg over het discriminatie in het onderwijs, betroffen 37 verschillende scholen, waaronder 21 basisscholen. Gena onderstreept dat het MDRA bepaald niet achter burgers aanloopt met de vraag of die klachten indienen. „De meeste burgers in de regio weten niet eens van het bestaan van het Meldpunt.”

Scheldkanonnades

Onderscheid op grond van uiterlijke kenmerken is maar een deel van het wij/zij-spectrum dat loopt van culturele superioriteitsgevoelens via vreemdelingenhaat tot aan ‘strikt’ racisme. Op sociale media komt alles voorbij. In mei dit jaar veroordeelde de rechtbank in Amsterdam twintig mensen wegens belediging van politicus Sylvana Simons. In de rechtszaal kwamen de digitaal afgevuurde scheldkanonnades langs: ‘Bokito’, ‘apenvolk’, ‘zwarte roetmop’. De beledigingen waren reacties op een filmpje waarin te zien was hoe Simons met een touw aan een boom hangt – een verwijzing naar lynchpartijen door de Ku Klux Klan. Volgens het openbaar ministerie had het filmpje „een sterk racistisch karakter”.

Donny Bonsink maakte eerder een evenement aan op Facebook, een ‘uitzwaaidag’ voor Sylvana Simons: 6 december 2016, niet toevallig de dag waarop Sinterklaas met zijn Pieten het land verlaat. Tienduizenden mensen gaven hun goedkeuring aan deze pagina, velen lieten reacties achter als ‘Sylvana Banana’, ‘klaagneger’ en ‘kachelpijp’. Bonsink houdt vol dat de (inmiddels verwijderde) pagina niet racistisch was. „Als Linda de Mol zulke opvattingen over Zwarte Piet had geuit, en als zij net als Sylvana Simons steeds maar had gezegd hoe erg het allemaal is in Nederland, had ik ook voor haar een uitzwaaidag kunnen aanmaken. Hup, terug naar Duitsland.”

Je kunt discussiëren over het racistische karakter van een voorval, zegt teamleider onderzoek Rob Witte van Kenniscentrum Discriminatie Artikel 1. „Het lijkt er soms op dat het pas als racistisch geldt als iemand met hakenkruis op zijn arm getatoeëerd ‘Heil Hitler’ roept en een zwarte man neerslaat. Maar als tien mensen bij de bushalte staan, drie zijn zwart en díé krijgen klappen, dan moet je niet aankomen met dat je agressief was door een biertje te veel.”

Nederland ziet zichzelf als open en tolerant land, waar iedereen kan zijn wie hij is en zeggen wat hij wil, zegt Witte. Gevolg is dat racisme vaak niet wordt herkend. Of het wordt gecategoriseerd als „een mening”. Witte: „Je hoort dan: ‘Nou, dan ben ik maar een racist, dit is gewoon mijn mening’.”

Maar toch, heel vaak is niet helder of sprake is van racisme. Wordt iemand vaker aangehouden wegens zijn huidskleur, speelt er toch iets anders, of is het gewoon toeval? Onderzoeker Hans Siebers vindt bijvoorbeeld dat de discriminatie die mensen meemaken veel vaker zijn oorsprong vindt in een cultureel superioriteitsgevoel dan in een onderscheid naar ras. „Als je een baan niet krijgt, maakt het wellicht niet uit, maar voor de aanpak van de discriminatie wel.”

In het onderzoek Uitsluitingsmechanismes van mensen van Afrikaanse afkomst in Nederland wijzen onderzoekers van de Vrije Universiteit op dit aspect. Een persoon voelt zich duidelijk anders behandeld op basis van zijn huidskleur, maar kan dat vaak niet hard maken. De gevoelens van frustratie en onmacht zijn wel reëel.

Ze beschrijven het voorval van een zwarte man, een hoge ambtenaar, die in zijn witte villawijk in zijn tuin schoffelt. Twee passanten vragen of hij beschikbaar is voor werk in hún tuin. „Ze konden zich kennelijk niet voorstellen dat hij in zijn eigen tuin aan het werk was”, schrijven de onderzoekers. „Dit kan worden beschouwd als een geval van uitsluiting op basis van ras, etniciteit én sociale klasse.”

Met medewerking van Kim Bos.
    • Sheila Kamerman
    • Bas Blokker