Recensie

Telkens opnieuw dezelfde Amerikaanse droom

Tentoonstelling De dubbeltentoonstelling The American Dream in Assen en Emden toont de visuele verstarring van het gepropageerde wereldbeeld.

Ralph Goings, Amsterdam Diner, 1980.

Het is spitsuur in het restaurant, zonlicht valt binnen door het raam boven de halfhoge gordijntjes die de gasten wat privacy geven. Een serveerster verschijnt met tafellinnen half in beeld, gasten zitten te lunchen, maar wij kijken toch vooral naar dat ene stel in het midden van dit schilderij. Haar zien we op de rug, hem zien we half terwijl hij zijn eten snijdt en haar intussen luisterend aankijkt. Zomaar een tafereeltje, zomaar ergens in New York, in 1922. Maar schilder Edward Hopper slaagde erin om met al die schijnbaar terloopse elementen een hele atmosfeer van buzzing city life op te roepen. Met in die grootstedelijke dynamiek de intimiteit van twee mensen die elkaar vinden.

Die warme sfeer, dat filmische licht: aan alles zie je dat Hopper inspiratie opdeed bij de filmindustrie (andersom liet Hitchcock zich inspireren door Hoppers melancholie). Met zijn geschilderde filmscènes is Hopper een soort oervader in The American Dream, een tentoonstelling over realisme in de Amerikaanse kunst. Met in totaal ruim tweehonderd kunstwerken is deze ambitieuze expositie verdeeld over twee locaties, in Assen en het Duitse Emden. Assen concentreert zich grofweg op de periode van 1945 tot 1965, Emden iets meer op de tijd erna, maar de tijden lopen door elkaar heen om thematische lijnen te trekken. Gebouwen schieten omhoog in nerveuze verflijnen (Alice Neel), telefooncellen en reclameborden hangen naast stoffige wegen (Stephen Shore), taartjes glanzen je tegemoet (Wayne Thiebaud), gasten kijken starend voor zich uit in glanzende diners (Ralph Goings).

In deze wereld passen ook Hoppers personages met hun blik in de verte, dromend van de ongekende mogelijkheden die het leven in Amerika biedt.

Andy Warhol, Paul Anka, 1976.
Stone Roberts, Grand Central Terminal, 2009.
Links: Andy Warhol, Paul Anka, 1976. Rechts: Stone Roberts, Grand Central Terminal, 2009.

New Yorks stratenplan

Vooral in Assen betekent dat een tentoonstelling die je in Technicolor tegemoet zingt. Opgebouwd met een op New York geïnspireerd stratenplan bestaat deze uit een middenallee met wandvullende affiches, nieuwsbeelden, reclameposters, Disney, James Dean, Marilyn Monroe. In de zijstraten vind je de schilderijen en enkele sculpturen, gegroepeerd onder stad, mens, stilleven, platteland. Die thematische aanpak versterkt de pluriformiteit, want zo hangen de generaties door elkaar: als een ode aan de veelvormigheid van Amerika. Juist al die stijlen door elkaar heen onderstrepen de American Dream, dat ieder die maar wil het van krantenbezorger tot mediatycoon zou kunnen schoppen. Zelfs al lijken sommige kunstwerken individueel veel kritischer – portretten van eenzame figuren, gestresste forensen – hier gaan ze op in het geheel van skylines, diners, mensen, spullen.

Dat honderd jaar kunst toch een eenheid is, komt ook doordat de exposanten vooral witte mannen zijn, bekende kunstenaars uit de canon. Daarmee vergeleken is de tentoonstelling in Emden spannender. Daar ontdek je minder bekende talenten en zie je bijvoorbeeld hoe realisme een politieke keus kan zijn: het opeisen van zichtbaarheid door minderheden. Hier zijn meer vrouwelijke kunstenaars, homoseksualiteit, burgerrechten, rassenongelijkheid. Al vraag je je af waarom die grotendeels in een apart zaaltje moeten.

Consumptiemaatschapij

Maar ook in Emden vallen de kunstwerken samen in een grote ode aan het veelvormige en kleurrijke land of opportunities. Ook in Amerika zou abstracte kunst opbloeien, maar dat ging voorbij aan deze realisten die vooral de zichtbare wereld wilden tonen, leven, vrijheid, welvaart. Dat zou culmineren in pop-art, de viering van de consumptiemaatschappij. Het is vooral Warhol die beide exposities bindt. Zijn gezeefdrukte foto’s benutten druktechnieken als van de media, wat maakt dat je ze van dichtbij minder goed ziet. Daarom moet je nederig een stapje achteruit doen: deze mensen of beelden bestaan alleen maar op afstand. Van Hoppers filmlicht naar Warhols flitslampkunst loopt één filmische opwaartse lijn.

Zelf werkte Warhol – bekend van zijn Factory, films, en bijrol in The Love Boat – zich op tot mediaberoemdheid. Maar ook de andere exposanten zijn veelal internationaal succesvol. Terwijl de prijzen daalden van de ketchupflessen en wasmiddelen die ze afbeeldden, zouden de prijzen van de schilderijen juist stijgen. Beroemd worden door je eigen pad te kiezen, als eigenheimer, daarmee hebben deze kunstenaars zelf de Amerikaanse droom bewaarheid. Daarmee straalt hun kunst vanzelf al succes uit.

Edward Hopper, Morning Sun, 1952.
Edward Hopper, Morning Sun, 1952.

Er verandert niets

Metro’s, etalages, sterren: zo lopen deze tentoonstellingen door en door. Ze zijn samenhangend, mooi ingericht, er is ruimte om alles goed te bekijken. Maar het vreemde is: na Warhol verandert er niets meer. In vijftig jaar: niets wezenlijks. Oké, er komt hyperrealisme, maar dat maakt dezelfde etalages alleen nog maar meer glanzend. Het bloot wordt iets decadenter. Maar inhoudelijk is het één verhaal. Hoe kan dat, de wereld verandert toch? Als deze kunst enige waarheidsgehalte heeft – wat betekent realisme anders – dan zou deze toch mee moeten evolueren.

Want intussen is de American Dream 2.0 springlevend, Warhols 15 minutes of fame zijn alom haalbaar op Facebook, en met online diensten als Uber en Airbnb kan iedereen een ondernemer worden. Intussen wordt het succes van ondernemers in zulke online diensten getoetst aan likes, wat het hele leven nog meer een etalage van succes maakt, een schijnwereld. De visuele verstarring van het gepropageerde wereldbeeld in deze kunst is bedenkelijk. Hangt het samen met de economische val vanaf de jaren zeventig, waarna echte groei volgens sommigen niet echt meer heeft bestaan? Zo ja, dan blijft de American Dream een wortel die je wordt voorgehouden en die je nooit bereikt.

En iets wat een illusie in de verte is, wordt nooit door de werkelijkheid ingehaald en gecorrigeerd. Zo’n hardnekkige illusie zie je in het op en top hopperiaanse Scotten Inn. Dit schilderij toont een verlaten straat bij avond, waar een goud verlicht café met een Pepsireclame nostalgisch lonkt. Alleen is het niet geschilderd door Hopper, maar door Robert Gniewek, in 2014.

Zo wordt dezelfde droom telkens weer opgediend. En past de expositie beter dan je zou denken bij andere recente realismetentoonstellingen van het Drents Museum: De Sovjet-mythe, De Kim Utopie. Die twee zijn naar het rijk der fabelen verwezen, de American Dream wordt nog steeds nagejaagd. Maar de kunst met zijn inhoudelijke herhaling van zetten trekt die haalbaarheid in twijfel. Marilyn Monroe zei het al: „It’s all make believe, isn’t it?