Inspectie uit kritiek op politie in zedenzaak Hoorn

In juni bleek dat een 26-jarig slachtoffer van verkrachting zelf de dader opspoorde, waar dit de politie niet lukte.

Rechtbanktekening van Mohammed M., toen nog verdachte in de bewuste zedenzaak. Foto Aloys Oosterwijk / ANP

De politie Noord-Holland is tekortgeschoten bij het onderzoeken van een zedenzaak in Hoorn, zo stelt de Inspectie Veiligheid en Justitie woensdag. De zaak maakte in juni van dit jaar veel los, toen bleek dat het 26-jarige slachtoffer van een poging tot verkrachting niet goed was gehoord, en uiteindelijk zelf de dader wist op te sporen.

Uit een reconstructie van De Telegraaf blijkt dat de politie de 26-jarige vrouw, die zich meteen na het misdrijf op het bureau meldde, wegstuurde op grond van de twee weken bedenktijd die gelden bij aangifte van verkrachting. Ook toen het slachtoffer via de app Find My iPhone kon vertellen waar de dader zich bevond, greep de politie niet meteen in. Uiteindelijk wist de vrouw met een nep-profiel op een datingsite de dader in de val te lokken. In juni werd de asielzoeker van Somalische afkomst veroordeeld tot achttien maanden cel.

Niet voortvarend

In een brief schrijft de Inspectie dat de politie voortvarender had moeten optreden. Zo duurde het te lang voordat de politie overging tot het bekijken van camerabeelden, de telefoon van het slachtoffer onderzocht en dna-materiaal bij haar afnam.

De Inspectie noemt het “begrijpelijk” dat de 26-jarige vrouw geen volledig vertrouwen had in de politie, omdat er niet helder werd gecommuniceerd. Ook volgt er kritiek over de manier waarop de regel van twee weken bedenktijd is toegepast. Dit hoort volgens de Inspectie alleen te gebeuren als slachtoffer en verdachte elkaar kennen, en dat was hier niet het geval. Ook was het binnen de politie in Hoorn onduidelijk wie er verantwoordelijk was voor de zaak, omdat die telkens aan vervangers werd overgedragen.