Alex Roeka

Voor Alex Roeka was het zingen of sterven

Alex Roeka

Na een carrière van 25 jaar is hij nog altijd niet bekend bij het grote publiek. Hoeft ook niet, zegt Alex Roeka. „Ik heb altijd liedjes geschreven die ik zelf wilde horen. Donker en schurend.”

Met het album En Toen Ineens kijkt zanger Alex Roeka terug op de eerste 25 jaar van zijn carrière in de muziek. Oude nummers kregen een nieuw arrangement. „Veel liedjes hadden hun definitieve vorm nog niet gevonden toen ze op de plaat verschenen.”

Onlangs vond Alex Roeka een oud cassettebandje terug. Een demotape met zestien nummers, opgenomen in 1992 in een klein studiootje aan het IJ. Het waren de allereerste Nederlandstalige teksten die hij schreef. „Ik was verbaasd toen ik het resultaat weer hoorde. Het gitaarspel is vrij goed voor iemand die net een gitaar heeft opgepakt”, vertelt Alex Roeka (63) op de bank bij platenmaatschappij Excelsior. „En tekstueel zitten de liedjes ook prima in elkaar.” Zoals bijvoorbeeld ‘Noem ’t Geen Liefde’, waarvoor hij in 1999 de Annie M.G. Schmidtprijs kreeg voor het beste theaterlied. „Het was allemaal zo gek nog niet voor een beginnend tekstschrijver.”

Inmiddels zijn er 25 jaren verstreken sinds hij die eerste demo maakte. Om dat te vieren nam Roeka een selectie van zijn dierbaarste nummers nogmaals op. Het resultaat is te horen op zijn onlangs uitgekomen elfde studioplaat En Toen Ineens. „Tien albums maken was het doel dat ik mijzelf na mijn eerste cd stelde. Dan heb je iets van een oeuvre. Nou die tiende plaat was er, maar ik zag het niet zo zitten daarna met een ‘best of’ te komen.”

Daarom stelde zijn platenmaatschappij voor een selectie nummers van zijn eerste zeven albums opnieuw op te nemen. Dat idee viel beter. „Het zijn de pre-Excelsior-albums. In de beginjaren heb ik liedjes opgenomen waarover ik achteraf niet zo tevreden ben. Ze hadden hun definitieve vorm nog niet gekregen. Neem het nummer ‘Kermis in Ravenstein’. Dat staat op mijn tweede album en is veel te slordig opgenomen. Te snel qua tempo. Nu hebben we ’m slepender gemaakt, met echte blazers erbij.”

Op de nieuwe plaat staat ook het allereerste Nederlandstalige nummer dat hij ooit schreef en waarmee Roeka zijn liefde voor het Nederlandstalige voor zichzelf ontdekte: ‘Late Ochtend’. Het lied is de letterlijke beschrijving van de ochtend volgend op een nacht waarin hij de liefde bedreef met een tot dat moment onbekende vrouw. De dame in kwestie is gevlogen en Roeka ontwaakt in een lege kamer met daarin slechts een gitaar.

Redding

„Ik was helemaal niet van het Nederlandse lied. Ja Ramses Shaffy sprak me als figuur aan, maar het was alsof ik eindelijk het licht zag toen ik die gitaar aanraakte.” De woorden volgden: „‘Wat is dit voor een kale kamer hier/ Wat is er gebeurd dat ik hier ben.’ Ja, daar kon ik wel op voortbouwen. Ik had niet zoveel voeling met Nederlandstalig werk, maar misschien kon ik op mijn eigen manier liedjes leren schrijven.”

Na het eerste nummer volgden al snel tientallen teksten. „Alsof ik ze al die tijd had opgespaard.” Ja, hij had het daarvoor wel eens in het Engels geprobeerd, maar dat liep op niks uit. „Er is geen Nederlander die het Engels zo goed beheerst dat hij daarin dezelfde subtiliteit en nuances kan uitdrukken als in de eigen taal. Als je taal echt wilt uitbuiten, zul je toch in het Nederlands moeten schrijven. Dat is dan je lot.”

Foto Andreas Terlaak

Muziek was de redding voor deze zoon uit een notarisgezin uit het Brabantse Ravenstein. Een onbevredigende carrière in de geestelijke gezondheidszorg en verschillende periodes als zeeman hadden hem in een situatie met een weinig hoopvol toekomstperspectief gebracht. „Ik was 38 jaar en wist het even niet meer. Ik ben niet zo ambitieus op het gebied van carrière maken. Ik raakte aan de drank en leidde een nachtelijk, onmaatschappelijk leven. Dan dreig je te verloederen. De liedjes waren een redding, het wrakhout waaraan ik mij kon vastklampen.”

Alex Roeka was met zijn 38 jaar een tamelijke laatbloeier toen hij voor het eerst op een podium stond. „Ik had er vreselijk veel moeite mee, want ik ben vrij verlegen. Ik wist niet hoe je moest staan en kijken. Tegelijkertijd wist ik dat ik door moest duwen, want anders was er geen redding meer mogelijk. Ik had iets gevonden waarmee ik verder kon: het was zingen of sterven.”

Zijn theaterliedjes vol poëtische overdenkingen ontvingen al snel veel lof van publiek en vakgenoten. Hij kreeg onder meer twee Edisons en de Annie M.G. Schmidtprij. Komende zondag krijgt Alex Roeka bij de start van zijn jubileumtournee in de Kleine Komedie de Oeuvreprijs Kleinkunst en Cabaret.

Jacques Brel

Toch werd de zanger ondanks alle lof nooit een man die het grote publiek aan zich wist te binden. Hoeft ook niet, zegt hij. „Je kunt op twee manieren schrijven: vanuit jezelf of op het publiek. Die laatste weg brengt je misschien tot in de Arena, maar ik heb altijd liedjes geschreven die ik zelf wilde horen, waarin ik mijzelf uitdrukte. Die zijn over het algemeen te donker en schurend voor het grote publiek. Toch weet ik er wel mensen mee te bereiken. Hoe diep en persoonlijk ook: er is altijd een publiek dat je gevoelens herkent. Dat komt omdat het persoonlijke op een bepaalde manier ook altijd collectief is.”

Zelf wordt Roeka nog altijd het meest geraakt door een van zijn grote voorbeelden, chansonnier Jacques Brel. „Hoe hij een zaal bij zijn strot greep. Man, hij kon met zo’n enorme kracht en poëtisch vermogen zulke mooie dingen vertellen over de liefde en de wereld.” Of er ook iets brelliaans schuilt in zijn eigen chansons? „Ik kan nog niet eens tot zijn enkels komen. Maar soms, soms, heb ik het gevoel dat ik een beetje in zijn buurt kom. Van een nummer als ‘Wil Je Voorzichtig Zijn’ denk ik weleens: dat is mijn ‘Ne Me Quitte Pas’.” Hij lacht. „Maar dat is waarschijnlijk zelfbedrog. Het geeft vooral aan dat Brel altijd leeft in mijn geest.”

Theatermonoloog

Zijn eigen carrière duurt inmiddels een stuk langer dan die van zijn grote voorbeeld. Toch vreest hij het moment dat hij niet meer op het podium kan staan. „Ik ben toch wel verslaafd geraakt aan dat theatergedoe. Het geeft mijn leven betekenis. Net als het schrijven. Dat is een drug waarmee je jezelf verdooft. Je staat ’s ochtends op en kijkt het afschuwelijke zwarte beest recht in de bek en dan moet je schrijven om dat gevoel van leegte en wanhoop te bestrijden.”

Hij is nog niet klaar hoor, benadrukt Roeka. Zijn programma’s kunnen volgens hem nog meer verdieping krijgen met betere theatermonologen waarbinnen hij zijn werk inbedt. „Nummers krijgen betekenis door ze binnen een verhaal te plaatsen. Bert Wagendorp schreef een tijd terug een monoloog over Lance Armstrong. Die werd op het podium uitgesproken door een barman uit Austin. Hij vertelt hoe hij dat Lance-verhaal heeft beleefd en dat werd dan afgewisseld met liedjes. Dat was mooi. Dan komen nummers ook meer binnen.”

Eigenlijk, zegt hij, is een theateroptreden een kort verhaal waarin je veel meer van jezelf kwijt kan dan alleen die liedjes. „Het is een literaire voordracht waarin je ook gedachtes en grappen kwijt kunt.” De nummers op En Toen Ineens zijn geselecteerd met het nadrukkelijke idee van een monoloog rond zijn 25-jarige carrière. „Ik had een idee voor een theaterprogramma over hoe ik tot het liedschrijven ben gekomen. Een aantal thema’s moest er zeker in, zoals mijn jeugd, de liefde, nacht en drank.”

Het theaterpubliek zal daarbij alleen ouder werk horen in een nieuwe versie, zoals ‘Lege Ochtendkroeg’ en ‘Alleen Maar Dit Moment’. „Ik heb in mijn programma zelden oud werk gespeeld. Het optreden was altijd gebaseerd op het nieuwe album. Maar die oudere liedjes zijn mij enorm dierbaar. Stel je voor dat ik zoiets als ‘Vuur en IJs’ nooit meer zou spelen, terwijl dat voor mij een heel betekenisvol nummer is. Dat zou ik toch wel erg jammer vinden.”

    • Jorg Leijten