Wie zich snel ergert, draagt vaker nieuwe ideeën aan

Onderzoek Ongevraagd initiatief tonen wordt door veel werkgevers gezien als pre. Wat moedigt zo’n proactieve houding aan?

Illustratie iStock

‘Je straalt enthousiasme uit, bent proactief en hebt uitstekende sociale vaardigheden.” „Je durft kritische vragen te stellen en komt proactief met voorstellen.” Zomaar twee vacatures, de eerste voor de functie van onderzoeker bij de Rijksoverheid, de laatste voor die van data-analist bij een bank.

Proactief klinkt energiek, ondernemend. Het tegenovergestelde van passief: de collega’s die gewoon hun werk doen, maar van wie je geen briljante toekomstplannen hoeft te verwachten. Een proactieve houding wordt gezien als een pre . Maar wat zorgt ervoor dat iemand zich proactief opstelt? De werk omgeving, gevoel, of toch het karakter?

Inge Wolsink, promovendus arbeids- en organisatie psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, stelde zichzelf precies die vraag: wat hebben mensen nodig om proactief te zijn? „We weten dat proactiviteit samengaat met creativiteit en innovatie, maar wat mensen proactief maakt werd niet eerder onderzocht”, zegt ze. Deze vrijdag verdedigt Wolsink haar proefschrift.

Je zou dus voorspellen dat in sectoren waarin de focus op basistaken groot is, relatief weinig innovatie plaatsvindt

Voor de duidelijkheid: iemand die zich proactief opstelt komt ongevraagd met nieuwe ideeën en is op verandering en de toekomst gericht, met als doel de organisatie beter te maken. Wolsink: „Of dat proactief zijn in je karakter zit is te meten met een vragenlijst.”

Maar dan doet de omgeving er ook nog toe, ontdekte Wolsink. „Uit mijn experimenten bleek dat óf die proactiviteit tot uiting komt, deels afhankelijk is van de organisatiestructuur.” Stel: je wordt met name beloond voor het halen van targets, het boeken van zoveel mogelijk direct resultaat. „Wie gaat zich dan nog bekommeren om de toekomst van het bedrijf?” Een deel van de werknemers zal dat, puur voor de lol, toch doen. Maar een aanzienlijk deel laat zich liever motiveren door de directe, zichtbare beloning. Wolsink ontdekte vervolgens: als het gewicht van de beloning die we voor ons werk krijgen ligt bij ‘basistaken’ (dat waar je voor aangenomen bent), stimuleert dat proactief gedrag bij de laatste groep niet.

Meer autonomie doet dat wel. „Je zou dus voorspellen dat in sectoren waarin de focus op basistaken groot is, relatief weinig innovatie plaatsvindt”, zegt Wolsink,

Slimme keuze

Maar interessanter is misschien nog wel, zegt Wolsink, dat ze ontdekte dat mensen die gevoelig zijn voor negatieve emoties zich vaker proactief opstellen. Het zou volgens haar dus kunnen dat proactief gedrag aangeleerd gedrag is, om controle over je eigen negatieve emoties uit te oefenen.

Een voorbeeld: wie zich sneller van de wijs laat brengen door een falend computersysteem, is eerder geneigd oplossingen te bedenken en actie te ondernemen. „Het is speculeren of proactiviteit inderdaad een vorm van omgaan met emotionele gevoeligheid is, dat moet in een vervolgonderzoek worden vastgesteld. Maar mijn resultaten wijzen wel in die richting”, aldus Wolsink.

Daartegenover staat dat mensen die zich vaker passief opstellen, zich wel héél rot moeten voelen om in beweging te komen. Zij gedragen zich pas proactief als ze zich slecht voelen, terwijl mensen die van nature proactief zijn die extra frustratie niet nodig hebben.

En dat verbaasde Wolsink, geeft ze toe. Want ondanks dat mensen tijdens het experiment een positief gevoel overhielden aan het tonen van initiatief, is het de vraag of dat op lange termijn ook altijd zo is. „Ik ging het onderzoek in met het idee: proactiviteit is goed, dus hoe gaan we dat stimuleren?” Maar gaandeweg kwam ze erachter dat proactief zijn „ook gewoon een hoop energie kost.” Want als proactiviteit gedijt bij negatieve emoties, dan ondersteunt dat de gedachte dat proactief zijn hand in hand gaat met ‘je druk maken’.

Wolsink: „Misschien is het zelfs wel zo dat mensen die zich vaker passief opstellen, beter prioriteiten kunnen stellen.” Het is wederom speculeren, benadrukt ze, maar in een tijd waarin werkstress beroepsziekte nummer één is: „Is je niet druk willen maken om wat beter kan dan niet gewoon een slimme keuze?”