Column

Vriendschapsverliefd

Zaterdag was ik met mijn zus uit eten in een overbezet restaurant waar je je ellebogen in de gaten moest houden, want anders zat je er al mee in het gerecht van de tafel naast je. Op een zeker moment vluchtte ik naar de wc om even stilte te hebben. Toen ik terugkwam zag ik dat mijn zus in gesprek was geraakt met de vrouw naast ons. Het zag er geanimeerd uit, er werd veel gelachen waarbij ze elkaars bovenarmen aanraakten. Even dacht ik dat ze de vrouw probeerde te versieren, maar toen zag ik dat mijn zus bij het lachen haar onderkin niet probeerde in te houden.

Nadat ik was aangeschoven duurde het even voor ze me wilden opmerken, zo druk waren ze met elkaar: over dat ze dezelfde series leuk vonden en hoe spectaculair het was om een kind in de brugklas te hebben. Ik zat erbij en keek ernaar: ik had in jaren niet zo’n klik met iemand gehad. Dat lag niet aan de geweldige mensen die ik dagelijks tegenkom, maar meer dat ik mijn eigen enthousiasme een beetje heb leren intomen. Ik heb in mijn leven genoeg vriendschapsverdriet gekend om voorzichtig te zijn.

De man van de vrouw kwam erbij, en eindelijk richtte mijn zus haar aandacht weer op mij, af en toe nog warme blikken op onze buurvrouw werpend. Toen we afrekenden stopte ze mijn zus haar kaartje toe.

„Als je toch in de buurt bij Sloterdijk werkt”, zei ze, „moeten we een keer lunchen!”

Mijn zus knikte, omhelsde haar en gloeide nog na toen we buiten op de tram wachtten.

‘Al aan het fantaseren over jullie eerste stedentrip?” vroeg ik iets zuurder dan bedoeld. „Ach,” giechelde mijn zus, „mijn portemonnee puilt uit van dat soort kaartjes. Ik heb elke week weleens vriendschapssjans.”

„Toch heb je maar een handjevol vrienden.”

„Ik heb er genoeg.”

Dat herkende ik. Er zijn maar een paar mensen die ik als échte vrienden beschouw: ik heb met hen samengewoond, gestudeerd, gereisd. Ik ken hen al meerdere partners en woningen lang, we verhuizen, vermaken en troosten elkaar. Zij zijn genoeg.

„En toch is het fijn”, zei mijn zus, „dat je weleens mensen tegenkomt met wie je hele goede vrienden had kúnnen worden. Dat maakt dat je wat optimistischer bent over de wereld.”

„In een ideale wereld ben je dus chronisch vriendschapsverliefd”, zei ik. „Dat zou geweldig zijn.”

„En je zou er doodmoe van worden”, zei mijn zus. „Gelukkig maar dat er zoveel stomme mensen bestaan.”

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.