Vieze mopjes uit de Gouden Eeuw

Tentoonstelling

In Haarlem is een tentoonstelling te zien van realistische zeventiende-eeuwse schilderijen met humor. Om sommige valt nog steeds te lachen.

Godfried Schalcken, Het onderzoek van de dokter, ca. 1680. Olieverf op paneel, 35 x 28,5 cm. Mauritshuis, Den Haag.

Komt een vrouw bij de dokter. Ze wordt vergezeld door haar vader en broertje en heeft een flesje urine bij zich. De dokter tuurt eens goed in de urine en ziet, als in een glazen bol, een miniatuurbaby’tje rondzwemmen. Meisje huilen natuurlijk, haar vader kwaad. Haar broertje lacht haar uit: dat krijg je ervan als je – en hij steekt zijn duim tussen de vingers van zijn vuist.

Welbeschouwd is dit een drama, maar eind zeventiende eeuw was het een mop in verf. Men lachte mee met het jongetje rechts. Het schilderij van Godfried Schalcken hangt op een tentoonstelling over humor in de zeventiende-eeuwse Nederlandse kunst, in het Frans Hals Museum in Haarlem. Een toepasselijke locatie omdat die stad, aldus Mariët Westermann in de catalogus, destijds „het centrum van de komische schilderkunst” was. Hendrick Goltzius, Adriaen van Ostade, Jan Miense Molenaer, Cornelis Dusart, Adriaen Brouwer en de gebroeders Hals werkten er. En Jan Steen in zijn leukste jaren.

Enkele van hun schilderijen zijn nu in Haarlem terug, naast humoristisch werk van schilders uit de rest van het land. Het is een tentoonstelling vol lachende gezichten, die telkens anders geschilderd zijn. Bij Gerard van Honthorsts Een vrolijke vioolspeler worden beide lippen strakgetrokken voor de tanden, en de ogen een beetje toegeknepen; de opgetrokken wenkbrauwen drukken het voorhoofd in de kreukels. De waardin van Frans Hals lacht guitig, met een glimmend prethoofd. Een kok van Hendrick Bloemaert lacht maar half omdat hij druk is in de keuken. De lach van Nicolaes Maes’ Luistervink is innemend ondeugend.

Frans Hals, De waardin, ca. 1625. Olieverf op doek, 77 x 64 cm. Frans Halsmuseum, Haarlem (langdurige bruikleen van een particuliere verzamelaar).

En Miense Molenaer, nou ja, die kon het gewoon niet. In een draak van een schilderij pest een groepje jongens een dwerg, terwijl: moet je kijken hoe merkwaardig ze zelf geproportioneerd zijn. Hun koppen houden nauwelijks verband met hun lijven, en hun lachend bedoelde gezichten lijken van pijn vertrokken.

Realistisch, en dus grappig

Niet als lach bedoeld is de grimas op een kopstudie van Adriaen Brouwer uit Frankfurt. Een man die eruitziet als een bandlid van boerenrockgroep Normaal trekt een vies gezicht nadat hij een slok van een bittere drank heeft genomen. Het is een schilderij dat zich op je netvlies vastzet omdat de expressie zo goed getroffen is, zo zeldzaam écht. Dat realisme zal indertijd een deel van het komische effect hebben bepaald. Voor ons is het gezicht van een lodderig kijkende dronkaard of iemand die zit te poepen niet zo grappig meer, omdat we sinds de uitvinding van foto en film gewend zijn aan beelden van kortstondige, intense, uit het leven gegrepen gelaatsuitdrukkingen. Gezichten in komische scènes mogen tegenwoordig minder nadrukkelijk zijn.

Adriaen Brouwer, De bittere drank, 1636-1638. Olieverf op paneel, 48 x 36 cm. Städel, Frankfurt am Main.

Aan trompe-l’oeils, stillevens die zo precies geschilderd zijn dat ze voor echt kunnen worden aangezien, valt in ons fototijdperk ook geen eer meer te behalen. Maar de zeventiende-eeuwse kijker stond versteld van zulk gezichtsbedrog. In het Frans Hals Museum is er een zaal aan gewijd.

Wat we grappig vinden loopt sowieso erg uiteen, van Funniest Home Videos tot Monty Python en van Geer & Goor tot Gummbah. In het geval van de schilderijen in Haarlem zijn er ook nog eens vier eeuwen verstreken, waardoor een deel van de humor voor ons niet meer vanzelf spreekt. Neem het leedvermaak. Lachen om kleine mensen is nu lachen mét kleine mensen geworden, bijvoorbeeld in de comedyserie Life’s Too Short. Niemand vindt ongewenste zwangerschap nog zonder meer grappig. Met ongewenste intimiteit kom je zelfs als komiek niet meer weg, zoals Bill Cosby en Louis C.K. recentelijk ondervonden.

Dieren die voor mensen spelen, dat is wel een constante in de humor door de eeuwen heen. In een schilderij van Cornelis Saftleven uit 1629 behartigt een uil als advocaat de belangen van een varken en een vogel in mensenkleren; Adriaen van de Venne schilderde omstreeks 1635 een chagrijnig kijkend uilenechtpaar op schaatsen. Er loopt een rechte lijn van deze surrealistische taferelen via de fabels van La Fontaine en Disney’s mensdieren naar Fokke & Sukke en de dierenverhalen van David Sedaris vandaag de dag.

Cornelis Saftleven, ‘Die wil rechten om een koe’, 1629. Olieverf op paneel, 59,5 x 82 cm. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam.

Het favoriete humoristische thema was, is en blijft seks, want paringsdrift bepaalt nu eenmaal ons bestaan. De schilderkunst van de Gouden Eeuw zit vol dubbelzinnigheden. Uit de catalogusteksten blijkt dat zo ongeveer elk attribuut en iedere bezigheid met ‘zinnelijk genot en vleselijke lusten’ kan worden geassocieerd: uien, apen, worsten, duiventillen, eieren, wandelstokken, diverse muziekinstrumenten, de hazenjacht, het aaien van een hond. En in de meeste schilderijen is het ook zonder die symboliek allang duidelijk dat ze over aantrekken en afstoten gaan. In De koekvrijer van Jan Steen biedt een heer een dame zijn enorme, harde staafvormige koek aan. Awkward, zegt haar gezicht. Intussen is haar eigen opzichtige decolleté ook niet bepaald subtiel. In Goltzius’ Ongelijk paar (1614) probeert een bejaarde vrouw een jonge man te versieren. Ze biedt hem zelfs geld. Hij weert haar vriendelijk maar beslist af. Nee dank u, mevrouw.

Zie de mens. Hunkerend. Omzichtig of brutaal. Dansend, stoeiend, onhandig liefkozend. Blauwtjes lopend. De tijden zijn veranderd, maar we lachen nog steeds om onszelf.

    • Gijsbert van der Wal