Opinie

    • Maxim Februari

Laat de kleine, snoezige meisjes maar praten

Met een meisje van een jaar of acht raakte ik op straat in gesprek over haar konijn. Ze zocht iemand die het van haar wilde overnemen, want zelf had ze het er intussen veel te druk voor gekregen. Druk, gehaast, geen tijd: dat begint al vroeg in het leven. Dus wat heb ik gezegd? Dat een konijn op het moment ook niet in mijn plannen past. En dat is geen smoesje, dat is echt zo.

De laatste tijd heb ik een citaat van Nietzsche over meisjes als een oorwurm in mijn hoofd. Volgens mij zijn er fysiologische prikkels die automatisch intellectuele responsen opwekken – ik hoop althans dat ik deze moeilijke woorden goed gebruik. Ik kan het ook eenvoudiger zeggen. Vroeger moest ik vanzelf aan de film Four weddings and a funeral denken zodra ik mijn tanden poetste en tegenwoordig komt een citaat van Nietzsche bij me boven zodra ik in de keuken door de messen en vorken rommel. „Wat is goed?” vraagt Nietzsche in mijn hoofd.

Ben ik alleen, dan zeg ik het hem luidkeels na. „‘Was ist gut?’ fragt ihr. Tapfer sein ist gut. Lasst die kleinen Mädchen reden: ‘gut sein ist, was hübsch zugleich und rührend ist’.” Dapper zijn is goed. Laat de kleine meisjes maar praten wanneer ze beweren dat goed zijn niets anders is dan snoezig zijn en ontroerend. Vergeet de kleine meisjes, mannen, moedig zijn is goed, zegt Nietzsche. Moed en oorlog hebben de wereld meer gebracht dan naastenliefde. Beschouw vrede vooral als middel tot een nieuwe oorlog, zegt Nietzsche ook nog. Schaam je niet voor je haat, soldaten!

De filosoof schrijft dit allemaal in Also sprach Zarathustra, het literaire essay waarin hij bij monde van de Perzische goeroe Zarathoestra de komst van een supermens aankondigt. Een mensensoort die ontstijgt aan de verwachtingen van de samenleving en die groot wordt door wilskracht in plaats van zwakte. Een soort die veel stoerder en formidabeler is dan kleine meisjes. Sinds Nietzsche dit schreef, kunnen hoogopgeleiden met zijn gedachtengoed op zak vol zelfvertedering kijken naar hun ruige minachting voor de conventie.

Wat zeg ik tegen Nietzsche in de keuken? „Heel belangrijk. Ik neem dat mee.” Ik rommel wat door de bestekla en ik vind het eigenlijk allemaal wel best. Een pleidooi voor wilskracht lijkt me verstandig en ik heb geen bezwaar tegen een beetje opschepperij over vechten, ik ben ruimdenkend. „Heel interessant”, zeg ik. „Ik zal het zeer zeker serieus in overweging nemen.” Natuurlijk heb ik bezwaren tegen het gebral, maar ik zie de ergernis van de supermensen al opkomen en overweeg of ik door zal zetten. Als ik nog iets kritischer word dan ik al ben, maak ik het hun mogelijk me af te serveren als ondermens en alles wat ik hierna nog zeg te negeren.

Die meisjes dus. En hun snoezigheid. Ik vraag me af hoeveel meisjes Nietzsche voor zijn onderzoek heeft gesproken. En hoe serieus zulke meisjes überhaupt worden genomen in een cultuur van puberale mannen die hun grootheid tonen door verhalen over boosheid en moed. Als in het theater weer eens een stuk wordt opgevoerd rondom de dagboeken van Anne Frank, een moderne ‘oorlogsallegorie’, zie je dat niet iedereen de meedogenloosheid herkent waarmee het aanvankelijk dertienjarige meisje de menselijke verhoudingen in het achterhuis heeft beschreven.

Niks snoezigheid of ontroering. „Lees je haar dagboek, dan klinkt daar een vroegwijze, gevatte puber: vaak geestig, bij vlagen onuitstaanbaar, soms ten prooi vallend aan diepe melancholie”, schrijft de ene recensent terecht. Toch denkt de andere recensent dat de gevatheid slechts te danken is aan de hedendaagse bewerker van de tekst, de schrijver Ilja Leonard Pfeijffer. Die heeft de „gepolijste stijl van haar dagboek” opgetild tot „taaldrift”. Ook Pfeijffer zelf is weinig onder de indruk van het meisje. „Wat er in huis daadwerkelijk gebeurt, bezien door de ogen van een 13-jarige, is voor een toneelstuk een beetje mager.”

Het meisje is te snoezig. En dus is het toneelstuk „ruiger”, volgens een acteur. Met „meer ruzie”. „De gezelligheid is er volledig af”, zegt een beschouwer. En niet alleen binnen het stuk, ook aan de werkelijkheid wordt geweld toegevoegd door een van de historische bewoners van het achterhuis een verkrachting in de schoenen te schuiven – omdat wij „allemaal daders zijn”.

Los nu even van toneelstuk en literaire provocatie en kunstpromotie op basis van korte gedingen. Mij schiet steeds weer dat citaat van Nietzsche te binnen. „Lasst die kleinen Mädchen reden.” Wees op weg naar de vooruitgang gewelddadig, ruig en beschouw slachtoffers als daders. Het klinkt zo vreselijk wereldwijs, deze aanpak, maar tegelijk ook zo vreselijk pueriel. Blind voor de complexe opvatting die kleine meisjes hebben van goedheid.

is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl
    • Maxim Februari