Huilend je grondrechten claimen

College voor de Rechten van de Mens

Die politievrouw met hoofddoek mag dus? Dan eisen nu mensen met angst voor islamisering hun mensenrechten op.

De telefoon rinkelde afgelopen maandag onophoudelijk bij het College voor de Rechten van de Mens (CRM). Het had zojuist een moslima gelijk gegeven die tijdens haar kantoorwerk voor de politie een hoofddoek wil dragen. Haar dit ontzeggen is verboden onderscheid op grond van godsdienst, aldus het CRM.

Toen begon het bellen. De hele dag, en de dag erna, meldden zich bezorgde burgers. Sommigen hingen huilend aan de lijn. „Het zijn mensen die echt bang zijn voor islamisering”, zegt Adriana van Dooijeweert, voorzitter van het CRM. „Zij zeggen: ik heb toch ook mensenrechten, en in wat voor maatschappij moet ik nu leven?”

Het is niet de eerste keer dat het College ophef veroorzaakt. Zo was er vorig jaar de Qbuzz-uitspraak. Dit busbedrijf weigerde een chauffeur in dienst te nemen die vanwege zijn geloof vrouwen geen hand gaf – discriminatie, aldus het CRM. Zelfs premier Rutte mengde zich in de discussie: hij noemde de uitspraak ‘bizar’.

Uitspraken van het College zijn niet bindend, maar 73 procent ervan wordt wel opgevolgd. Soms raakt een werkgever gewoon overtuigd tijdens de zitting, zegt hoogleraar rechtssociologie Ashley Terlouw. Van 2004 tot 2008 was zij lid van de Commissie Gelijke Behandeling, voorloper van het CRM. „Ik heb wel eens meegemaakt dat beide partijen boos binnenkwamen, maar dat de woede verdween toen de werkgever begrip toonde.”

De-escalatie is een belangrijk onderdeel van de College-zaken, zegt Terlouw. Maar in het publieke debat lijkt soms juist escalatie het gevolg – zeker met islamgerelateerde zaken als die van de politieagente. Niet nodig, vindt Van Dooijeweert: deze uitspraak ging specifiek over een administratief medewerkster. „Wij zeggen niet dat iedere agent een hoofddoek mag dragen.”

De een wel, de ander niet: bescherming van grondrechten is passen en meten. Eerder dit jaar oordeelde het CRM dat zorginstelling Middin niet had gediscrimineerd toen ze een islamitische man niet aannam. De man wilde vijf keer per dag kunnen bidden, wat volgens het College kon leiden tot gevaarlijke situaties: de afdeling waar hij werkte zou dan onbemand zijn. Veiligheid woog hier dus zwaarder dan vrijheid van godsdienst. Dat was anders bij de Qbuzz-zaak: handen schudden is geen kerntaak van een buschauffeur.

Dit geworstel met grondrechten is moeilijk uit te leggen, aldus Van Dooijeweert, want Nederlanders weten daar relatief weinig vanaf. „Als je vraagt naar een voorbeeld van een grondrecht komen ze met de vrijheid van meningsuiting, maar dan vooral die van henzelf.”

Dat de reacties maandag zo verhit waren, heeft alles te maken met veranderde opvattingen over godsdienst. Van oudsher hadden Nederlanders een relaxte houding tegenover religieuze uitingen op de werkvloer, schreef hoogleraar mensenrechten en diversiteit Titia Loenen in een vakbundel. Maar door ontkerkelijking en de komst van moslimmigranten staat dat ‘principieel pluralisme’ onder druk.

Dat merk je in de rechtspraak, bevestigt Terlouw. „Ik heb de indruk dat uitspraken strenger zijn geworden.” Dat geldt ook internationaal: „Kijk naar het Europees Hof van Justitie, dat in 2016 werkgevers vrij veel ruimte gaf om hoofddoeken te weigeren.”

Intussen is niet alleen de angst voor islamisering toegenomen, maar ook de ervaren discriminatie. Het aantal telefoontjes en mailtjes van mensen die zich aangetast voelden in hun rechten steeg de afgelopen jaren van 2.000 naar 5.000 per jaar, zegt Van Dooijeweerd.

Het aantal klachtenprocedures is echter gelijk gebleven. „Veel mensen die bellen zijn toch bang hun baan te verliezen. Die willen alleen even hun verhaal kwijt.”

Net als bezorgde burgers, eigenlijk.

    • Floor Rusman