Rijk moet zich concentreren op culturele topinstellingen

Cultuursubisidie

Een zesjarige subsidiegarantie voor topinstellingen en betere afstemming met de regio, is het advies van de Raad voor Cultuur aan de minister.

Raad voor Cultuur-voorzitter Marijke van Hees Foto Eric Brinkhorst

De subsidieperiode voor culturele instellingen als rijksmusea, symfonieorkesten of grote toneelgezelschappen moet naar zes jaar verlengd worden. Voor kleinere instellingen en gezelschappen die meerjarige subsidie krijgen van een van de cultuurfondsen moet in veel gevallen die subsidieperiode juist verkort worden van vier naar drie jaar. En er moet een nieuwe subsidiepot komen waarmee het Rijk plannen van stedelijke regio’s kan belonen.

Dat adviseert de Raad voor Cultuur deze maandag aan cultuurminister Ingrid van Engelshoven (D66) als belangrijke wijzigingen die in het cultuursubsidiestelsel moeten worden aangebracht. De raad adviseert de minister in de aanloop naar de presentatie van haar beleidsvisie in februari. Met het advies borduurt de raad voort op eerdere ideeën om het rijksbeleid meer in lijn te brengen met cultuurbeleid in de regio’s. Gemeenten en provincies geven met circa 1,7 miljard euro samen ongeveer drie keer zoveel uit aan cultuur als het Rijk.

De Raad voor Cultuur pleit voor oprichting van een ‘regionale culturele infrastructuur’ (RIS) naast de in 2009 ingevoerde ‘basisinfrastructuur’ van culturele instellingen die rechtstreeks rijkssubsidie ontvangen vanwege hun nationale of internationale belang. Vanaf de volgende kunstenplanperiode, die in 2021 begint, zou geld voor die RIS beschikbaar moeten zijn. Over hoeveel geld er in de ‘regionale infrastructuur’ gestoken moet worden, spreekt de raad zich niet uit. De nieuwe gelden voor de regionale culturele infrastructuur moeten gebruikt worden om voorzieningen te steunen die bijdragen aan „een bloeiend cultureel ecosysteem in de stedelijke cultuurregio’s”. (zie kader)

Het Rijk kan zich zo beter concentreren op de culturele instellingen die in de kunstdisciplines de hoogste kwaliteit bieden en nationaal en internationaal vooraanstaand zijn. In die basisinfrastructuur zitten nu bijvoorbeeld de rijksmusea, symfonieorkesten als het Concertgebouworkest of PhilharmonieZuid, toneelgezelschappen als het Nationale Theater of het Zuidelijk Toneel en dansgezelschappen als het Nederlands Dans Theater of Introdans. De verlenging van de subsidieperiode naar zes jaar moet ervoor zorgen dat zij veel beter aan langetermijnplanning kunnen doen en bovendien minder tijd kwijt zijn aan beoordelingen en subsidie-aanvragen.

Landelijke subsidies die naar kleinere culturele instellingen gaan via cultuurfondsen als het Mondriaan Fonds en het Fonds Podiumkunsten, zouden meer gericht moeten zijn op vernieuwing en dynamiek. Vorig jaar bleek nog dat de vierjarige subsidies van deze fondsen toch vaak opgevat worden als een vaste ondersteuning, toen gezelschappen als Orkater en danshuis Korzo via een motie van de Tweede Kamer alsnog een eerder afgewezen subsidie kregen toegekend.

De Raad voor Cultuur stelt voor dat de landelijke subsidies pas vastgesteld worden, nadat de stedelijke regio’s hun plannen hebben ingediend. Daardoor kunnen de gelden vanuit Rijk en cultuurfondsen een aanvulling vormen op wat gemeenten en provincies aan steun verlenen en zo de regionale plannen ondersteunen. Rijk en fondsen kunnen bovendien besluiten alleen die instellingen te financieren die ook lokaal ondersteund worden.

Dit is het eerste belangrijke advies onder de nieuwe voorzitter Marijke van Hees. De voormalige PvdA-voorzitter was tussen 2010 en 2014 cultuurwethouder in Enschede. De komende maanden zal de Raad voor Cultuur een reeks van adviezen uitbrengen in de aanloop naar de beleidsvisie van de minister. In de andere adviezen zal het meer gaan om het beleid voor en de financiering van verschillende kunstdisciplines.