Profiel

Fons Orie

Hij zal woensdag over Mladic oordelen

Fons Orie is de enige Nederlandse rechter bij een straftribunaal van de VN. Zijn no-nonsensehouding tekent hem. Compassie met slachtoffers is mooi, maar mag volgens hem nooit bepalend zijn.

Fons Orie, de Nederlandse rechter van het Joegoslavië-tribunaal schept er eer in de namen van verdachten onberispelijk uit te spreken. Op ‘Ratko Mladic’ heeft hij lang kunnen oefenen. Woensdag spreekt hij het vonnis uit na een proces dat in 2011 begon en zo’n 530 zittingsdagen in beslag nam. Bij een van de eerste voorgeleidingen probeerde Orie de voormalig Bosnisch-Servische legerleider nog geduldig, maar beslist tot luisteren te dwingen. Toen Mladic maar bleef praten, liet Orie hem de rechtszaal uitzetten.

Het vonnis van woensdag is het sluitstuk van het tribunaal. En het is de afsluiting van Orie’s carrière. Hij is bijna zeventig en wordt waarschijnlijk alleen nog opgeroepen voor resterende klusjes.

Orie is nooit gepromoveerd, maar twee jaar geleden kreeg hij een eredoctoraat voor zijn pionierswerk op het gebied van internationaal strafrecht. Eind jaren 70 schreef hij als wetenschappelijk medewerker in Leiden mee aan het eerste Nederlandse studieboek daarover. Hij was lange tijd strafrechtadvocaat en was raadsheer in de Hoge Raad. In november 2001 werd hij gekozen in het Joegoslaviëtribunaal, de enige Nederlandse rechter bij een straftribunaal van de VN.

Orie (getrouwd, vier kinderen) is geen wereldverbeteraar, maar wel een gedreven jurist, zeggen vakgenoten. Als partner bij het advocatenkantoor Wladimiroff & Spong vinkt hij bij cassatieberoepen voor de Hoge Raad jarenlang nauwgezet een standaardlijstje van mogelijke procedurefouten af. Hij zegt dat een strafrechtadvocaat zelf uitputtend onderzoek moet doen. Op bezoek in Sarajevo in 2012, dan als rechter, houdt hij advocaten in de zaal voor zich te concentreren op de essentiële zaken. „Als jullie gefocust blijven, blijven de rechters dat ook.”

Concentratiekamp Omarska

Het echt grote werk dient zich in 1995 aan als Wladimiroff en Orie de verdediging op zich nemen van de Servische cafébaas Dusko Tadic. Tadic is de eerste verdachte die terechtstaat voor het Joegoslavië-tribunaal. De advocaten begrijpen dat een unieke kans wacht om geschiedenis te schrijven. In het voorjaar van 1996 reizen ze naar het concentratiekamp Omarska om ter plekke onderzoek te doen. Als ze erachter komen dat ze geen meetlint bij zich hebben, meten ze afstanden stapje voor stapje. Orie trekt een laars uit en legt die op een golfplaat van een gebouw. Ze maken een foto en zo kunnen ze op hun hotelkamer de afmeting van het hele gebouw reconstrueren.

Alphonsus Martinus Maria Orie werd op 23 november 1947 in Groningen geboren. Beide ouders waren arts, zijn vader de eerste longspecialist in Nederland. Als kind speelde hij nog tussen de puinhopen van de nog niet opgebouwde binnenstad. In voormalig Joegoslavië snoof hij dezelfde stank op. Orie studeert rechten in Leiden. Van huis uit krijgt hij de boodschap mee iets voor de maatschappij te betekenen, zegt hij later in interviews. Hij is kort lid van het corps. Meer plezier beleeft hij bij het Studenten Koor en Orkest Collegium Musicum – Orie heeft een prachtige bariton. Echt belangstelling voor het internationaal recht heeft hij dan nog niet. Bij een tentamen moet hij de antwoorden over de internationale rechtshulp schuldig blijven, vertelde hij in mei 2002 aan het Advocatenblad.

De belangstelling groeit als hij als medewerker voor hoogleraar Fred Melai onderzoek doet naar een in het buitenland gedetineerde man. In die tijd raakt Orie bevriend met Egbert Myjer, voormalig rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. „Hij was en is recht door zee. Hij heeft geen behoefte aan loze praatjes”, zegt Myjer. „Als ik hem iets liet lezen, kon hij onverbloemd zeggen: ‘Egje, dat klopt niet. Waar haal je dat vandaan?”’.

Myjer maakt ook kennis met een ander belangrijk facet van Orie’s leven: dat van de zangkunst. „Elk jaar tegen Pasen nam hij een paar dagen vrij om overal in het land te zingen in de Matthaüs. Zo had hij een aardige bijverdienste”, zegt Myjer. Orie zingt graag aria’s. Dat deed hij onder andere vele jaren met ‘Die Meistersinger’, een Haags ensemble van juristen.

Kruisverhoren

Als Orie de overstap naar de advocatuur maakt, staat het internationaal strafrecht nog in de kinderschoenen. „Hij wist meer dan wij”, blikt partner Mischa Wladimiroff terug. Maar hij kwam niet binnen als een wetenschapper die zijn nieuwe kantoorgenoten weleens zou vertellen hoe het allemaal zat. „Hij was heel erg geïnteresseerd en had de ambitie om van zijn vakgebied een markt te maken.”

Ter voorbereiding op het afnemen van kruisverhoren in de rechtszaal, gaat Orie in een kamertje van het Vredespaleis in Den Haag zitten. De Britse strafrechtadvocaat Steven Kay neemt hem daar een week lang onder vuur om hem te trainen.

Op zijn vijftigste wordt Orie raadsheer in de Hoge Raad, het hoogste rechtscollege van ons land. Als advocaat moest hij uitsluitend handelen in het belang van de cliënt. Nu vindt hij het prettig om eens zelf te kunnen zeggen wat hij ervan vindt, zegt hij later in het Advocatenblad.

Wladimiroff noemt zijn vertrek jammer, maar logisch. „Advocaten zijn gewend erop af te gaan en toe te slaan. Hij is bedachtzaam. Een jurist pur sang die de zaken afweegt. Dat deed hij ook in gesprekken op ons kantoor”, zegt Wladimiroff. „Iemand zei bij ons: ‘Toen hij weg ging, was het evenwicht eruit’.”

De overstap naar het Joegoslavië-tribunaal komt als Buitenlandse Zaken hem polst of hij belangstelling heeft. Orie moet wel voor zichzelf campagne voeren bij de VN in New York. Hij laat een gelikte brochure met kleurenfoto’s maken.

Vijf jaar eerder nog had Orie, als advocaat van Tadic, de rechtmatigheid van het tribunaal aangevochten, omdat dat was opgericht door de Veiligheidsraad, en niet door de VN-lidstaten. „Natuurlijk moest Orie het bestaansrecht van het tribunaal aan de kaak stellen. Als hij dat toen niet had gedaan, had hij zijn taak niet goed gedaan”, zegt hoogleraar strafrecht Elies van Sliedregt, die hem zijn eredoctoraat aan de VU in Amsterdam uitreikte. „Hij heeft daarmee helpen bouwen aan de juridische grondslagen van het tribunaal.”

Als rechter van het Joegoslavië-tribunaal toont Orie dezelfde no-nonsensehouding die hij als advocaat had. Compassie met slachtoffers is mooi maar mag nooit bepalend zijn, zei hij in verschillende interviews. „Ik mag niet blind zijn voor de implicaties die daden op een samenleving hebben, maar ik moet dat klinisch en analytisch blijven bekijken. Ik moet de emoties van anderen met mijn verstand een plaats geven.”

En net zo scherp oordeelt hij over de betekenis van het Joegoslavië-tribunaal. „Ik heb niet de illusie, en nooit gehad ook, dat een tribunaal als dit ervoor zorgt dat mensen geen oorlogsmisdaden meer plegen”, zei hij in 2014 tegen het maandblad Mr. „Waar het om gaat is een einde te maken aan straffeloosheid.”

Correctie: in een eerdere versie van dit artikel werd de herkomst van een citaat van rechter Fons Orie (20/11, p. 6) toegeschreven aan het ‘online blad’ Mr., dit moet maandblad zijn.

    • Wim Brummelman