Column

Betondorp

Marcel

We waren even terug in Betondorp, het laatste stukje authentiek Amsterdam voor de Ringweg. Spulletjes ruilen met onze voormalige verhuurders, die weer in de bovenwoning waren getrokken waar wij twee kinderen kregen. We hadden per abuis een wok, een steelpan en een doosje meegenomen en zij zaten al twee weken ongewild tegen een stapeltje kranten en het boek Heibel in Honolulu (Bob Evers-serie) aan te kijken. Dertig minuten rijden met een steelpan, we wisten zeker dat het de laatste keer was dat we iets gemeubileerds hadden gehuurd. Nou. Ruil-ruil, daarna nog een keer de buurt in.

Er was niets veranderd, maar nu we er geen onderdeel meer van uitmaakten, voelde het anders. Een praatje in de buurtwinkel is leuk als je er ook wat komt kopen, nu stonden we vooral naar elkaar te zwijgen. Meer dan een jaar rookte ik hier dagelijks stiekem een of meerdere sigaretten, nu lag er niets meer onder de toonbank.

„Hoe gaat het?”

- „Hetzelfde.”

De buurtjunk, die we hadden aangemoedigd als hij verslag deed van zijn verblijf in een afkickkliniek, dronk weer, we zagen hem met een blik bier. De overbuurvrouw sleepte haar hond nog even liefdeloos over de stoep als voorheen en de buurman die bij de helpdesk van mijn zorgverzekering werkt, zwaaide nog steeds niet terug.

De vriendin zei dat ik maar even een rondje moest gaan lopen, kon zij naar de vertrouwde Albert Heijn waar ze, in tegenstelling tot die in het nieuwe gebied, wel vegetarische kipstuckjes en biologische babyvoeding verkopen.

Hand in hand met de oudste tussen het beton.

Ze had haar pamper vol.

Naar het buurtcafé, waar ik haar in een hoekje tussen de messen en vorken ruggelings op een tafel legde en ze er, terwijl ik haar broek naar beneden stroopte, zwijgend een dubbele espresso en een appelsap met een rietje naast zetten.

„Alles is nog steeds ruk”, zei iemand.

PSV stond nog steeds bovenaan, wijkagente Moniek was van haar fiets gewaaid en niemand had haar opgeraapt en Sinterklaas was weer in de stad.

„Hebben ze in dat dorp wel Zwarte Pieten?”

De dochter kreeg drie koekjes, ze zongen mee met ‘Kalverstraat, straat waar je winkelen gaat’ en daar was de vriendin alweer. Ik geloof dat ik geruisloos verdween.

Toen we de straat uitreden, was het alsof we er nooit gewoond hadden. Zo ging het altijd. Alleen met Arnhem heb ik dat niet, de plek waar je opgroeit is als een litteken waar je soms aan krabt.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.