IDFA praat over ‘de macht’ van documentaires

IDFA

Filmmakers hebben veel macht, bleek zaterdag tijdens het IDFA-festival in Amsterdam. Als cadeau aan ex-directeur Ally Derks gaven 25 filmmakers hun visie op de documentaire.

Ter ere van dertig jaar IDFA bespraken documentairemakers de huidige positie van de documentaire. Foto Felix Kalkman

Het is bijna middernacht als Jack Servin en Igor Vamos, beter bekend als de Yes Men, zaterdag aanschuiven in de Amsterdamse Balie aan het eind van de zes uur durende Visual Voice Marathon. In hun films laten de Yes Men zien hoe ze zich voor anderen uitgeven – zoals voor een woordvoerder van Dow Chemicals, die twintig jaar na de giframp in het Indiase Bhopal op het BBC-journaal verklaart dat het concern de „volledige verantwoordelijkheid” aanvaardt voor de dodelijke gaswolk. De aandelen van Dow kelderen meteen als de nepwoordvoerder duizenden nabestaanden financiële compensatie belooft.

Maken de Yes Men zich wel eens zorgen over de gevolgen van hun acties, vraagt Bahram Sadegi, een van de drie interviewers deze avond. „We vragen het Oskar Schindler”, zegt Servin, waarop hij iedereen aan tafel elkaars hand laat vasthouden. Even later krijgt hij het antwoord ‘door’ van de ex-nazi op wiens leven de speelfilm Schindler’s List is gebaseerd. „Schindler zegt ‘nee’. Zonder te liegen had hij nooit al die Joden kunnen redden.” Vanuit de eerste rij klinkt de doorrookte schaterlach van Ally Derks, die dertig jaar geleden het Internationaal Documentaire Filmfestival Amsterdam opzette, en de hele avond aanwezig is.

Propaganda

De seance raakt een van de centrale thema’s van de breed opgezette avond: de macht van film. Die is groot, zegt de Oostenrijkse filmmaker Hubert Sauper (Darwin’s Nightmare; We Come as Friends). Voor de film waaraan hij nu werkt, over de Spaans-Amerikaanse oorlog (1889), verdiepte hij zich in „de eerste propagandafilm in de geschiedenis”. „Met houten modelschepen deden de Amerikanen verslag van een oorlog die nog moest plaatsvinden, en ze vertelden hoe wreed de Spanjaarden waren. Zo werden de geesten rijp gemaakt voor de verovering van Cuba en de Filippijnen.”

Dat zulke macht de verantwoordelijkheid van een filmmaker extra vergroot, wijst hij af. „Mijn Kisangani Diary, een persoonlijk verslag van het geweld in een vluchtelingenkamp in Congo, wordt nu gebruikt door extremistische Hutu’s als propaganda tegen Rwanda. Dat had ik nooit kunnen voorzien.”

Grenzen

Ook de invloed van dertig jaar IDFA komt ter sprake. Derks toont zich er bescheiden over. „Het belangrijkste is dat we al die filmmakers wereldwijd een stem geven die ze eerst niet hadden, mede dankzij ons Bertha Fonds. In de eerste jaren vertoonden we vooral documentaires van Europeanen en Amerikanen, die de wereld rondreisden om met hun verhalen terug te vertellen.”

Nog altijd vindt ze het moeilijk te zeggen wat een goede documentaire definieert. „Niets interesseert me minder”, zegt ze. Om daarop aan te geven dat het met authenticiteit te maken heeft, geloofwaardigheid en ‘signatuur’. Voor haar opvolger Barbara Visser is de definitie duidelijker. „Een goede documentaire zoekt de grenzen op. Maar als ze erover heen gaat, selecteer ik de film niet.”

Lees het interview met Barbara Visser: ‘In de kunstwereld draait alles om status en geld’

Ogen taggen in je selfie

De toekomst wordt deze avond vertegenwoordigd door Mea Dols de Jong. Ze maakte de serie Nettiquette over sociale omgangsvormen op internet, vijf korte filmpjes voor tieners, die maandag 20 november ‘live’ gaat op YouTube. Op Instagram ‘taggen’ tieners hun twee beste vrienden in de ogen van hun selfie, geeft ze als voorbeeld van de internettaal. Het Mediafonds van de publieke omroep gaf haar de opdracht ‘iets’ te doen voor deze doelgroep. „Jammer alleen voor hen dat 14-jarigen geen tv kijken.”

Mea Dols de Jong vertegenwoordigt ook een andere relatief nieuwe ontwikkeling: documentaire die als serie worden gemaakt. Schuldig is er een ander voorbeeld van, over armoede in Nederland, maar in feite ook De Hokjesman (2013-2016), waarin Michael Schaap curieuze, soms lachwekkende groepen Nederlanders in beeld brengt. Schaap zegt desgevraagd waar voor hem de ethische grenzen liggen. „Ik duw de mensen die ik portretteer nooit het graf in. Maar als ze er zelf inspringen, houd ik ze niet tegen.”