Opinie

    • Marike Stellinga

Het jammerlijke falen van de Griekse hulp

Om te huilen. Halverwege het verslag van de Europese Rekenkamer over de Europese noodhulp aan Griekenland schreef ik in de kantlijn: om te huilen. De Rekenkamer schetste donderdag een wrang beeld van de aanpak en de uitvoering van de steun aan Griekenland door de Europese Unie.

Na zeven jaar aan uitbetaalde hulpleningen ter waarde van 265 miljard euro (er is 370 miljard toegezegd), is nog altijd de vraag of de Griekse overheid eind volgend jaar weer op eigen benen kan staan: zichzelf weer kan financieren. Wat een geld en wat een leed (de werkloosheid piekte in 2013 op 27,5 procent van de beroepsbevolking) zonder je doel te bereiken.

De Griekse overheid hervormde en saneerde, er zijn zaken ten goede veranderd, schrijft de Rekenkamer. Maar er mislukte ook veel. En omdat de economie na de hulp met een kwart kromp, is de schuld ten opzichte van de economie alleen maar toegenomen. Een rode draad die ik uit het rapport haal: er was een gebrek aan interesse voor hoe de strenge eisen die met de hulp gepaard gingen in Griekenland uitpakten – én voor hoe het land er echt bovenop zou kunnen komen.

Zo was er geen brede, samenhangende strategie om de groei te bevorderen, en dus ook niet om de overheidsfinanciën te saneren op een manier die het minst schadelijk was voor de economie. De EU koos bijvoorbeeld niet voor de belastingverhogingen die de groei het minst drukten maar voor de verhogingen die snel geld zouden opleveren. Ook maakte de Europese Commissie twee prognoses: een voor de economische groei, en een voor de Griekse begroting. Maar hoe die twee op elkaar inwerken, dat berekende de Commissie niet. Terwijl een overheid die zo hard bezuinigt en belastingen verhoogt natuurlijk de groei remt.

Het meest onthutst was ik over hoe de Griekse banken werden aangepakt. Er werd 45,4 miljard euro ingepompt. Maar in de eerste jaren werd er niet gezorgd voor adequaat bestuur van de banken. Oude bestuurders konden blijven zitten, terwijl bekend was dat er problemen waren met goedkope leningen aan ‘bevriende’ bedrijven. Ook was er lang geen aanpak voor de berg aan oninbare leningen. De Rekenkamer verwacht een verlies op de bankenhulp van 36,4 miljard euro. Woepa. Ik vond en vind Europa te streng voor Griekenland, maar juist hier waren de voorwaarden niet streng genoeg.

Natuurlijk hebben de Grieken zelf ook hun aandeel in dit drama. Griekenland had een falende staat en immense schulden voordat Europa hulp kwam bieden. Problemen in de uitvoering lagen óók aan de Grieken. Dat is dan ook de verdedigingslinie van de Commissie in antwoord op de Rekenkamer: de Griekse overheid bleef in gebreke. De politieke instabiliteit hielp ook niet: sinds de eerste hulp in 2010 waren er vijf keer verkiezingen en een referendum.

Maar dat moet je allemaal incalculeren bij de hulp aan een land in schuldproblemen. Er moet zo hard worden ingegrepen dat sociale en politieke onrust zal volgen, dat weet je van te voren. Je kan die onrust minimaliseren: door de Griekse regering aan je kant te krijgen, door het ook hún hulpplan te laten zijn. Er is genoeg ervaring met schuldhulp aan landen om dat te weten. Maar Europa had de onbedwingbare behoefte om Griekenland openlijk een lesje te leren, om ze te straffen. En zo organiseerde Europa zijn eigen mislukking.

Dankzij Tony van Dijck van de PVV debatteert de Tweede Kamer binnenkort met minister van Financiën Wopke Hoekstra (CDA) over het rapport van de Rekenkamer. Pijnlijke lessen, zelfkritiek – ik verwacht het allemaal van de minister. Dit was een van de grootste projecten van de EU ooit en het is jammerlijk gefaald.

Marike Stellinga is politiek verslaggever en econoom. Ze schrijft elke zaterdag op deze plek over politiek en economie.
    • Marike Stellinga