Opinie

Zolang Henk en Ingrid zich maar thuis voelen

Het regeerakkoord is doordrenkt van emotionele aannames over wat ‘de Nederlanders’ vinden en voelen, schrijft .

Nederlandse vlag in plenaire zaal Tweede Kamer. Foto Bart Maat/ANP

Daar stond-ie dan: de Nederlandse vlag in de Tweede Kamer. Veel parlementariërs deelden op Facebook en Twitter een foto van de vlag. Slechts een enkeling schamperde dat de driekleur niet echt fier wapperde of merkte op dat de sokkel niet overmatig veel nationale trots uitstraalde.

Want daar zou het om moeten gaan: de trotse vlag symboliseert immers de eenheid van het land en past daarom perfect in de Tweede Kamer, waar alle burgers zich vertegenwoordigd weten. Nu ja, alle? Daags daarvoor had Geert Wilders (PVV) nog gesteld dat in de Tweede Kamer, „het nationale huis”, het niet-passend is als ministers naast de Nederlandse ook nog een andere nationaliteit hadden. Hij voelt zich niet thuis als kabinetsleden ook een Zweeds, Marokkaans of Turks paspoort hebben. En zo splijt het symbool van nationale eenheid in plaats van dat het verbindt: voor populisten wappert de vlag alleen voor „echte Nederlanders”.

Wilders is niet de enige die onderscheid maakt tussen soorten Nederlanders, tussen echtere en minder echte. Zo omarmde Rutte de „normale” Nederlander en Buma hield een lofzang op de „gewone” Nederlander. Ook VVD en CDA suggereren dat sommige mensen hier meer thuis horen dan anderen en dus meer recht hebben om zich thuis te voelen.

Wat hierbij opvalt is de sterke emotionalisering van de discussie. Geschrokken als ze zijn van het boze en bange electoraat, menen politici dat zijzelf ook sterk emotioneel moeten zijn. We wisten al dat de politiek steeds meer fact free is geworden; nu lijkt het erop dat alleen emoties nog als argument tellen. Zo was de belangrijkste reden van het kabinet om asielzoekers het recht op juridische bijstand af te nemen dat dit beter aansloot bij het rechtvaardigheidsgevoel van de meeste Nederlanders.

Het was dan ook verrassend dat Bas Heijne in zijn NRC-column over het regeerakkoord van het nieuwe kabinet schreef dat „in het politieke centrum alles zakelijk en pragmatisch is geworden”. De grote verhalen en de diepe emoties zouden zich hebben verplaatst naar de uitersten van het politieke spectrum. Dit lijkt een discutabele conclusie. Het wemelt al op de eerste pagina’s van het regeerakkoord van de sentimenten, of preciezer, van interpretaties van de gemoedstoestand van Nederlandse burgers door de nieuwe coalitie: „Voor lang niet iedereen voelt de eigen buurt als een herkenbaar en veilig thuis”, meteen gevolgd door „mede door de gebrekkige integratie van nieuwkomers voelen zij zich niet langer thuis in hun eigen omgeving”. Hierbij slaat de ‘zij’ blijkbaar niet op alle Nederlanders, maar op hen die hun buurt als „hun eigen omgeving” mogen claimen. Vervolgens gaat het over „het gevoel van onbehagen en vervreemding in ons land” dat aanleiding geeft voor Haagse zelfflagellatie: „Politiek moet gaan over Nederland én Nederlanders, minder over cijfers en Den Haag. Dat is wat mensen vragen. En dat is ook het uitgangspunt van dit regeerakkoord. Nederland moet niet alleen vooruitgaan in de statistieken, Nederlanders moeten dit ook zelf ervaren.” De laatste twee zinnen gaan mee in de populistische polarisatie tussen kennis en emotie (want Haagse cijfers slaan blijkbaar nergens op…), waarbij het gelijk altijd bij ‘de Nederlanders’ en hun emotiehuishouding ligt.

Emotionele aannames

Gelukkig weten de coalitiepartijen precies wat ‘de’ Nederlanders willen en vooral wat ze willen voelen. Emoties staan in de inleiding van het regeerakkoord tegenover de Haagse wereld van statistieken, en vooral van abstracties: „We willen van de abstracte aanspraken die leiden tot teleurstellingen, naar de opbouw van individueel pensioenvermogen.” Iets verder lezen we: „Actief internationaal beleid is een nationaal belang. Het is geen abstractie en heeft een directe relatie met kansen en bedreigingen in ons land.” Om de preambule te eindigen met de uitsmijter: „Niet voor cijfers, maar voor mensen.”

Het is niet alleen de versimpeling die in het oog springt (zijn goede cijfers niet goed voor mensen?) maar vooral ook de sentimentele toon van het gehele regeerakkoord: het proza is doordrenkt van emotionele aannames over wat ‘de Nederlanders’ vinden en voelen, en het kabinet neemt deze emoties tot uitgangspunt van beleid. Wat ‘de’ Nederlander voelt, wordt richtinggevend voor de politiek.

Van alle emoties staat ‘thuis voelen’ hierbij met stip op de eerste plaats. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat het recht op ‘thuis voelen’ de belangrijkste politieke slogan is geworden om autochtoon Nederland te behagen. En aangezien we ons slechts bij weinigen écht thuis voelen, is de toon meteen gezet: dit is het land voor ‘normale’ en ‘gewone’ Nederlanders. Dat klinkt wellicht niet per se uitsluitend in de oren van de meerderheid, maar de emotionele sub-tekst („Rot op!”) zal de ‘abnormalen’ en de ‘on-gewonen’ niet zijn ontgaan.

Waar Nederlandse politici vroeger emoties pacificeerden, dragen zij nu bij aan emotionele polarisatie. En dat geldt ook voor de regeringspartijen.