Welcome boys, jullie zijn net door een mijnenveld gevaren

Engelandvaarder

Hij is een van de laatste Engelandvaarders in leven. Deze week kreeg Eddy Jonker (97) een oorkonde in het museum dat hij oprichtte.

Eddy Jonker als vlieginstructeur bij de Royal Air Force Foto privécollectie Eddy jonker

Ze staken in gammele bootjes de Noordzee over, of reisden via de Pyreneeën en Spanje, of Zweden naar het Verenigd Koninkrijk. Meer dan 2.200 ‘Engelandvaarders’ slaagden er tijdens de Duitse bezetting in om Nederland te ontvluchten en zich bij de geallieerde strijdkrachten te voegen. Onder hen ook Erik Hazelhoff Roelfzema, die beroemd werd als Soldaat van Oranje.

Eddy Jonker waagde de oversteek in 1943, als student. Met zijn 97 jaar is hij nu een van de laatst levende Engelandvaarders in Nederland. Deze week kreeg hij van de Stichting Engelandvaarders de Award voor Vrijheid en Bevrijding 2017 omdat hij, aldus de stichting, „onvermoeibaar aandacht heeft gevraagd voor de strijd die toen is gevoerd”. Hij is een van de grondleggers van Museum Engelandvaarders in Noordwijk.

Telefonisch vertelt Jonker hoe hij op 25 juli 1943 in een bootje naar Engeland vertrok, met negen anderen onder wie twee neergeschoten piloten. Ze hadden ook een zak bij zich met informatie van het verzet. Zelf had hij eerder autobanden van militaire wagens doorgeprikt, zegt hij, maar „daar win je natuurlijk geen oorlog mee”. Vanuit Engeland hoopte hij meer bij te kunnen dragen.

Rond middernacht werd hun bootje door het vrachtschip Nooit Volmaakt losgegooid in het Haringvliet, toen nog een open zeearm. Om voor zonsopgang uit het zicht van de kustwacht te zijn, voeren ze in hoog tempo naar de zee. Maar tot hun schrik trok de boot een zog van fluorescerend plankton, „ongewenste lichtreclame”.

Dankzij laaghangende mist konden ze ongezien langs een Duits wachtschip varen. Maar toen ze bijna op volle zee waren, kwam een Duitse motortorpedoboot hun tegemoet gevaren. Er ging een zoeklicht aan en daarna werd er met een zware mitrailleur geschoten. De mist was hun redding, de kogels vlogen over de boot heen en de Duitsers voeren door. Om vier uur ’s ochtends was hun boot zo ver van de kust verwijderd dat ze alleen nog zee zagen.

Maar de grootste tegenslagen moesten nog komen. De motor bleek te zijn doorgebrand, dus moesten ze peddelen. Tot overmaat van ramp bleek de boot te lekken. Er was maar één emmer aan boord om mee te hozen. Tegen de avond stak een storm op. De ene helft van de bemanning was „doodmisselijk” en „offerde aan de zeegod”, zegt Jonker. De andere helft probeerde vooral te voorkomen dat de boot omsloeg. De volgende ochtend bleek dat de boot door de wind naar de kust was teruggedreven. Terug naar af.

Met blaren op hun handen, verbrande koppen en „verschrikkelijke dorst” peddelden ze zich „wezenloos”. Tot op de vijfde dag een Brits oorlogsschip opdoemde. De Britten lieten hen nog een uurtje zwoegen, maar namen hen uiteindelijk aan boord met de woorden: „Welcome to England, boys. Jullie zijn net dwars door een mijnenveld gevaren.”

Na te zijn verhoord door de geheime dienst haalde Prins Bernhard Jonker over om zich bij de Royal Air Force aan te sluiten, hij ging er aan de slag als vlieginstructeur. Na de oorlog werkte hij nog even op vliegbasis Soesterberg maar daarna stapte hij over naar het bedrijfsleven. In 1964 werd hij directeur van de Vredestein-bandenfabriek en later van een textielfabriek.

Na zijn pensionering zorgde Jonker voor de financiering voor Museum Engelandvaarders in Noordwijk, dat in 2015 werd geopend. Ironisch genoeg bevindt het zich in een bunker van de Atlantikwall, de Duitse verdedigingslinie om ‘Nederlandvaarders’ buiten te houden. Daar zijn de verhalen te zien van al die andere Engelandvaarders, van wie velen de reis niet hebben overleefd.