Column

Privilege is my middle name

Ik lees het deze week weer in de krant: starters op de huizenmarkt hebben het zwaar en zzp’ers al helemaal. En wat deden wij, starters en zzp’ers, afgelopen maand? Wij kochten een huis in hartje Rotterdam. Het is een prachtig oud huis, drie slaapkamers en tuin. We verhuizen er begin volgend jaar heen.

We hebben te veel betaald, vast. Het is een bubbel, vast. De timing was vreselijk, dat is zeker. Maar we willen een huis en hebben binnenkort een extra slaapkamer nodig. Ik ben in verwachting. En we hebben nu eenmaal de middelen om zo’n huis, ook in deze markt en in onze positie en in deze stad te kopen.

Dat heet privilege, dames en heren. Ik werd geboren in het juiste nest, waar veel geld werd verdiend en niet te veel werd uitgegeven. En dat is trouwens nog maar één privilege uit de waslijst waarmee ik werd geboren. Ik groeide op in het villaparkje van de wereld. Ik kon afwisselend kiezen tussen het familie-vangnet of het staatsvangnet. Ik werd omringd door hoogopgeleide mensen die intellectuele discussies voerden. Ouders die het belangrijk vonden om mij op tafelmanieren te wijzen en korte metten te maken met elke dreiging van een Dordts accent. Het doel was dat ik, zonder mij ongemakkelijk te voelen, bij de koningin kon gaan dineren. Ik heb hard gewerkt en ben goed in wat ik doe, maar ik speel het spelletje van het leven in easy mode.

De vraag is wat je met privilege aan moet. Een paar jaar terug bood mijn vriendin en collega-columnist Simone van Saarloos letterlijk haar ruimte in de krant aan aan niet-witte schrijfsters. (Ik schrijf ‘wit’, omdat dat bon ton is. Je moet je de nieuwe taal zo snel mogelijk eigen maken om in alle verschillende milieus mee te kunnen doen). Is dat het juiste om te doen?

Ik heb er zelf een hekel aan als ik word gevraagd omdat ik vrouw ben. Het voelt als meedoen in de Paralympics, vals spelen zelfs. Ik ben niet gehandicapt. Recent las ik twee columns van niet-witte schrijfsters die er ook een hekel aan hebben. Lamyae Aharouay schreef in deze krant dat zij het creëren van een functie specifiek voor allochtonen hetzelfde vindt als een allochtoon weigeren voor een functie. Beide betekent misbruik maken van een factor waar de sollicitant geen invloed op heeft.

Deze week schreef Trouw-columnist Seada Nourhussen dat ook zij steevast nee antwoordt als een organisatie haar weer eens vraagt als diversiteits-verhogend lid voor panels, jury’s en commissies. Ik begrijp hun ongemak: je wordt onderdeel van een nep-‘decor’ dat diversiteit veinst. Excuuskleur, zonder dat er echt iets verandert. Zoals een corrupte organisatie die heel groot VERTROUWEN op zijn muren schrijft.

Toch ga ik tegenwoordig wel in op uitnodigingen waarvan ik weet dat mijn vrouw-zijn een rol speelt. Het heeft te maken met kansen pakken, meepraten, hogerop komen, privilege vergroten, waarborgen en verzekeren. En mijn plaats afstaan aan een – wegens afkomst – minder geprivilegieerde doe ik al helemaal niet. Ik heb net niet genoeg privilege om te vergeten hoe belangrijk die plaats voor mijzelf is.

Ik zou graag zien dat mijn kinderen opgroeien in een wereld die gelijker is. Dat is goed voor iedereen. Anoniem solliciteren, goede scholing, uitstekende toegang tot de universiteit en keihard optreden tegen discriminatie. Maar de harde realiteit van privileges betekent ook dat ik er alles aan ga doen om ervoor te zorgen dat mijn kinderen straks precies diezelfde voorrechten genieten als ik.

Op de essentiële momenten is er namelijk helemaal niemand die plaats maakt, maar is de wereld keihard en ongelijk. Niemand strijkt met zijn hand over zijn hart als er huizen moeten worden gekocht. Mijn hoop is dat onze kinderen zo min mogelijk speelbal worden van de economische omstandigheden, dat ze risicovolle keuzes kunnen maken omdat wij ze genoeg vangnet kunnen bieden. Dat ze alles kunnen worden wat ze willen en ook zij zó aan tafel bij de koning kunnen aanschuiven.

Rosanne Hertzberger is microbioloog.