Meer les maakt je niet ‘mediawijzer’

Mediawijsheid

De opkomst van nepnieuws stuit je niet met meer lessen mediawijsheid op school. „Ik schrik hoeveel moeite een online zoekopdracht kost.”

De mediawijsheid van kinderen hangt meer af van het opleidingsniveau van de ouders dan van de medialessen op school. Foto Roos Koole/Hollandse Hoogte

Scholieren mogen dan te boek staat als de digitale generatie, ze weten die verwachtingen niet altijd waar te maken wat betreft mediawijsheid. Lang niet alle scholieren weten zoekmachines goed te gebruiken of herkennen nepnieuws. Vooral bij vmbo’ers valt er veel te winnen. Dat blijkt uit de vrijdag gepubliceerde Monitor Jeugd en Media 2017, een tweejaarlijks rapport van stichting Kennisnet over mediagebruik van scholieren.

Voor het eerst kent het onderzoek een deel waarin de ‘digitale geletterdheid’ van scholieren werd getoetst, in het bijzonder hun digitale informatievaardigheden en media- en nieuwswijsheid. In tijden van toenemende zorg over nepnieuws, Russische beïnvloeding van de publieke opinie, en een snel digitaliserende samenleving zijn dat belangrijke thema’s, aldus Remco Pijpers. Hij is een van de auteurs van het rapport. „Ik ben al twintig jaar bezig met deze leeftijdsgroep. Ik wist dat de digitale geletterdheid van scholieren beter kon, maar ik schrik toch als ik zie hoeveel moeite een online zoekopdracht kost.”

En dat terwijl er de afgelopen jaren meer aandacht voor is gekomen, met een wildgroei aan mediawijsheidprogramma’s tot gevolg. „Scholen proberen al heel lang kinderen digitaal geletterd te krijgen, maar uit het onderzoek blijkt dat die lessen weinig effect hebben.”

Verschil NU.nl en krant

Anne Twisk, docent Nederlands op het Kennemer college in Heemskerk, herkent zich in veel bevindingen van het rapport. Zij geeft mediawijsheid als onderdeel van haar lessen Nederlands op het vmbo. „Daarin bespreek ik bijvoorbeeld het verschil tussen NU.nl en een krant, want dat is niet voor iedereen duidelijk.” Ook weten haar vmbo-leerlingen niet altijd waar ze terecht kunnen voor achtergrondinformatie, hoe en waar ze moeten doorklikken, of het verschil tussen een nieuwsbericht en een opiniestuk. „Ik vind het belangrijk dat ze feiten van meningen kunnen scheiden.”

Volgens onderzoeker Pijpers gaat het mede fout bij de benadering van deze jongeren. Ze worden gezien als homogene groep, als digital natives. „Er wordt dan verwacht dat zij ook wel weten hoe het internet werkt. Dat is dus niet zo. Omgaan met Facebook en Instagram betekent nog geen mediawijsheid.”

Scholen geven les in specifieke digitale vaardigheden, maar die zitten niet structureel verweven in de rest van het onderwijs. Pijpers: „Het moet logisch in alle vakken terugkomen.” Hoe weet hij echter niet. „We weten nauwelijks welke lesmaterialen effectief zijn. Laat staan dat uitgevers in staat zijn met die lesmaterialen op de verschillen bij leerlingen in te spelen.”

De 1.600 ondervraagde scholieren (10 tot 18 jaar) zijn positiever over hun digitale vaardigheden en geven zichzelf gemiddeld een 7,4. „Ze overschatten zichzelf”, zegt Pijpers.

Om de praktijk te toetsen kregen duizend scholieren opdrachten als het opzoeken van de hoofdstad van Bolivia. Daarop gaven ze niet altijd het juiste antwoord; ook de vraag hoe ze hun bronnen kozen bleek moeilijk. Pijpers: „Ze konden ook niet zeggen of informatie betrouwbaar was.”

Vooral vmbo’ers hadden moeite met het beoordelen van informatie. Dat deden zij vooral op gevoel, antwoordden ze in de vragenlijsten. Bronnen goed vergelijken was voor de meesten een brug te ver.

Ze vragen niet door

In de les merkt Anne Twisk dat leerlingen bijvoorbeeld berichten geloven op sociale media, zonder vragen te stellen als: is dit waar? Waar komt het nieuws vandaan? „Ze moeten echt opgevoed worden in dat soort vaardigheden.” Ook kopiëren scholieren soms hele passages van internet voor een werkstuk. „Ze denken dan: het staat online, dus er is al door iemand over nagedacht. Ze vragen niet door, ze nemen aan.”

Havisten en vwo’ers deden het op dat punt beter. Die keken niet alleen of iets feitelijk klopt, maar konden beter inschatten of iets betrouwbaar is of niet. Niet iedereen is bij machte dat te doen, constateert Pijpers. Hij waarschuwt dat te makkelijk wordt gedacht dat de school dit oplost.

Uit het rapport blijkt dat de opleiding van de ouders de beste indicatie is voor het niveau van digitale geletterdheid. Niet de inspanningen van de school. Hoger opgeleide gezinnen kijken vaker naar het nieuws of lezen een krant dan lager opgeleiden. „Als thuis niet over nieuws gepraat wordt, of je komt er niet mee in aanraking, ben je ook minder geïnteresseerd.”

Wildgroei

Digitale geletterdheid is geen integraal onderdeel van het curriculum. Veel scholen en bureautjes bieden losse cursussen aan in het vaardig worden in het snel veranderende medialandschap.

Mariska Kleemans, onderzoeker van de Radboud Universiteit, bestudeerde in 2016 de kennis die Nederlandse leerlingen hebben over nieuws en bekeek mediaonderwijsprogramma’s op scholen. Uit haar onderzoek bleek dat middelbare scholieren die structureel een mediawijsprogramma volgden, het nieuws niet beter begrepen dan scholieren die zulke programma’s niet volgden.

Mediawijsheid is enorm versnipperd, constateert Kleemans. „Iedereen doet maar wat, maar wel met goede bedoelingen.” Ze wijt het uitblijven van structuur mede aan de waan van de dag. „Als we lezen over nepnieuws, roept iedereen dat we er iets mee moeten. Als het gaat om privacy en sociale media, roept iedereen hetzelfde. Maar wat we ermee moeten? Dat weet niemand.” Het onderzoek staat nog in de kinderschoenen, zegt ze.

Om meer structuur te bieden in mediawijsheid, wordt digitale geletterdheid een verplicht onderdeel van het curriculum. In maart 2018 gaat – op initiatief van onder meer het ministerie van Onderwijs – een ‘ontwikkelteam’ van leraren en schoolleiders werken aan een advies. Goed nieuws, vindt Twisk. „Want het klinkt allemaal zo simpel, het even erbij doen tijdens een les Nederlands, maar dat lukt niet.”

    • Bas Tooms