Recensie

Liefdesillusies vallen in stukken

Barber van de Pol

In deze romance wordt veel gepraat tussen twee totaal verschillende geliefden. En dan breekt er ook nog regelmatig een commentaarstem in.

Een paar jaar geleden, in 2013, zong Barber van de Pol de lof van het zingen. In Zingen is geluk beschreef zij in allerlei toonaarden hoe fijn het is om al zingend tijdelijk van alle ‘gemiezemuis’ verlost te zijn. Het merelgevoel, zo noemde ze dat. In een interview met Trouw suggereerde ze dat veel mensen te beschroomd zijn om zich helemaal over te kunnen geven aan het genot van het zingen.

Het lijkt me geen toeval dat in haar nieuwe roman, Hemelse dieren, een zangeres voorkomt. Ze heet Nora, maar wordt Nootje genoemd. En de dochter die ze vijf jaar later baart krijgt de naam Merel. Aan merelgevoel dus geen gebrek. Toch heeft Nootje het moeilijk in het leven, omdat ze zo beschaafd is en altijd maar met iedereen rekening houdt. Met haar vriend Terry bijvoorbeeld. Hij is een woestbehaarde, hardhandige kunstenaar, die uit een heel ander soort hout gesneden is. Hij bekommert zich niet om zoiets als goede manieren. Hij vindt zijn ‘wijfje’ een ‘mollig stuk’, maar ook wat vermoeiend en ingewikkeld omdat ze zoveel praat en de dingen niet gewoon neemt zoals ze zijn. Hij houdt niet van de lichtjes experimentele muziek die ze maakt met haar ensemble. Met sushi hoeft ze evenmin aan te komen, of met dure wijn, of zelfgemaakte dressings.

Toch is hij zelf ook niet helemaal van de straat. Er schuilt duidelijk een filosoof in hem. Hij moest, zo lezen we, ‘zijn zwijgzaamheid nog steeds bevechten op de drang om alles te bevragen. Wat is zijn? Wat stelt iets als zodanig voor?’

Waar gaat Hemelse dieren over? Het gaat over twee geliefden ‘die ieder voor zich en met elkaar aanklooien binnen de sociale codes’, zoals Van de Pol (1944) het wat vaagjes formuleert. Er doemt in de betrekkelijk korte romance tussen de twee ‘hemelse dieren’ al gauw het nodige gemiezemuis en geharrewar op, omdat ze allebei zo hun eigen ideeën hebben over die sociale codes.

Het zijn overigens niet alleen de geliefden zelf die veel praten. Er is ook een commentaarstem die regelmatig inbreekt in het verhaal door een retorische vraag te stellen (‘Was het nu een knappe vent of niet?’), een aforistische uitspraak te doen (‘Originaliteit is een valkuil voor mooispelers’) of een regie- of leesaanwijzing te geven (‘Laten we de twee betrappen in hun eerste onbezonnen weken samen’, ‘We zoomen nog eens in.’).

Hemelse dieren is geen roman uit één stuk, maar een wirwar aan stemmen, anekdotes, gebeurtenissen, terugblikken, sfeerimpressies en gevoelsexplosies. Aan de ene kant is er de charme van de dartele presentatie van het verliefde stelletje, dat gnuift, knuffelt, rollebolt en elkaar allerlei dierennaampjes geeft. De keerzijde van al dat gedartel en trouwens ook van de talrijke en niet altijd even steekhoudende overpeinzingen over leven, liefde, vriendschap en kunst, is dat het liefdesverhaal maar niet van de Groningse grond wil komen, waar het zich nogal nadrukkelijk afspeelt. De hoofdpersonen blijven schimmige figuren en de intrige overtuigt ook niet helemaal. Er gebeurt in korte tijd ook heel wat: kennismaking, liefdesspel, verraad, een soort moordaanslag, een wanhoopsdaad, een huwelijk en een ongeplande zwangerschap – die aan de laatste liefdesillusies een einde maakt. Van de Pol heeft in Hemelse dieren duidelijk te veel liedjes tegelijk willen zingen.