‘Ik probeer een mens te zijn’

Han Kang In 2016 kreeg de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang de Man Booker International Prize voor haar roman De vegetariër. Deze maand verscheen de vertaling van Wit. ‘Ik schreef het boek in Warschau en dacht elke dag aan mijn overleden zus.’

Foto Arnaud MEYER/HH

Het eerste boek van Han Kang dat in het Engels werd vertaald won meteen de Man Booker International Prize 2016. Tot haar eigen stomme verbazing: „Ik vond het prettig genomineerd te zijn, want daardoor kon ik naar Londen om met mijn redacteur te praten over mijn nieuwe roman Wit”, zegt de Zuid-Koreaanse schrijfster in een café in een voorstadje van Seoul. „Maar ik had niet verwacht dat ik die prijs ook zou winnen.”

Han kreeg de prijs voor haar roman De vegetariër, waarin een vrouw resoluut stopt met het eten van vlees – vrij ongebruikelijk in Zuid-Korea. Voor het eerst brak een Zuid-Koreaanse auteur internationaal door. De schrijfster blijft er bescheiden onder en verontschuldigt zich er bij binnenkomst voor dat ze tien minuten te laat is. „Ik was mijn paraplu vergeten”, zegt ze. Buiten hoost het zoals het alleen tijdens het Aziatisch regenseizoen kan hozen.

Na De vegetariër en Mensenwerk is nu ook Wit in een Nederlandse vertaling verschenen. Het is een mix van poëzie, fictie en essayistiek. Het boek bestaat uit zo’n zestig korte fragmenten, waardoor ruwweg de helft van de bladzijden wit is.

Wat voor een boek is ‘Wit’?

Het is een novelle die je kunt lezen als een prozagedicht. Het bestaat uit drie hoofdstukken, waarvan het eerste autobiografisch is en het tweede een los narratief heeft. Het laatste hoofdstuk is gebaseerd op de ervaring met mijn oudere zus, het eerste kind van mijn ouders. Ze werd te vroeg geboren en overleed na twee uur. Ik ben opgegroeid met de herinneringen van mijn ouders aan haar. Mijn moeder zei almaar hoe mooi ze was.

„Ik schreef Wit toen ik vier maanden in Warschau verbleef. Die stad werd tijdens de Tweede Wereldoorlog voor 95 procent verwoest, wat het tot een tragisch oord maakt. Op straat dacht ik er altijd aan hoe die stad was herrezen uit de as, maar ik dacht dan ook aan het korte leven van mijn zus. Ik probeerde Warschau door haar ogen te zien en aan haar blik alleen witte, reine dingen te schenken.”

In ‘De vegetariër’ stopt hoofdpersoon Yeong-hye na een nachtmerrie prompt met vlees eten. Uiteindelijk eet ze helemaal niet meer en probeert ze een plant te worden. Wat drijft haar?

„Twee uitspraken in het boek zijn belangrijk. Wanneer haar man en familie Yeong-hye dwingen tot het eten van vlees, antwoordt ze steevast met ‘ik eet geen vlees’. Haar moeder dient haar van repliek: ‘Als je geen vlees eet, eet de wereld jou’. Wie is er dan gekker? Iemand die vegetariër wordt of iemand die een ander met geweld dwingt vlees te eten?

„Het hele boek is een oproep om na te denken over Yeong-hye en haar wensen. Deze vrouw streeft naar een staat van zuivere onschuld, wat er uiteindelijk toe leidt dat ze zichzelf vernietigt. Ze lijkt zich terug te trekken en gek te worden, maar eigenlijk probeert ze juist iets te bereiken – waarbij ze gelooft dat het plantenleven het enige leven is dat niemand kwetst. Aldus wilde ik de volharding laten zien van iemand in een vijandige omgeving. Yeong-hye is niet gek, ze is juist té zeer bij haar volle verstand in een gestoorde wereld.”

Met geweld wordt ze gedwongen (vlees) te eten. Geweld speelt ook een rol in uw roman ‘Mensenwerk’, over de Gwangju-massamoord in 1980. Daarbij werden honderden mensen afgeslacht die protesteerden tegen de dictatuur van president Chun Doo-hwan. Waarom is geweld zo’n belangrijk thema voor u?

„Als kind moest ik naar documentaires over Auschwitz kijken, waarbij ik altijd moest overgeven. Op mijn negende werd een bloedbad aangericht in mijn geboortestad – vlak nadat mijn ouders en ik waren verhuisd. Dit was een vormende ervaring. Daarna begon ik me fundamentele vragen te stellen over geweld en wreedheid.

„Zowel Mensenwerk als De vegetariër gaat over de vraag of menselijke waardigheid en onschuld mogelijk zijn in een gewelddadige wereld. Yeong-hye voelt de pijn die levende wezens elkaar aandoen en riskeert haar leven voor een waardige, geweldloze houding. Zo moeten we er tegenover staan. Niet met wanhoop naar geweld kijken, maar de pijn ervan meevoelen om zo tot goedheid te komen.”

In ‘Mensenwerk’ sluit de 15-jarige Dong-ho zich aan bij de betogers die tegen Chun Doo-hwan demonstreren. Die jongen woonde een tijd in uw huis in Gwangju. Waarom koos u hem als hoofdpersoon?

„Ik bracht maandenlang in archieven door om zo veel mogelijk ooggetuigenverslagen van de Gwangju-massamoord te bestuderen. Ik was geraakt door al dat geweld en besefte dat ik me op waardigheid moest richten. Ik dacht: kon ik maar laten zien hoe eerbiedig die demonstranten zich gedroegen?

„Toen wist ik dat ik moest schrijven over Dong-ho, die over zijn leeftijd loog om zich bij de betogers te kunnen aansluiten. Op de laatste dag van de opstand stierf hij, maar hij leeft voort omdat iedereen zich hem herinnert. Toen ik dat bedacht, had ik binnen een uur een structuur en plot opgezet en begon ik de volgende dag met schrijven.”

Het onderzoek voor ‘Mensenwerk’ leverde u nachtmerries op. Heeft u daar nog altijd last van?

„Ik had gehoopt dat ze zouden stoppen als het boek er was. Daarom drong ik er zelfs bij mijn redacteur op aan om het snel uit te geven. Dat bleek een naïeve gedachte. Ik voel het leed van de slachtoffers nog steeds en moet het als deel van mijn leven accepteren.”

‘De vegetariër’ en ‘Mensenwerk’ spelen zich af in een specifieke Zuid-Koreaanse context, maar hebben toch universele thema’s. Hoe kan dat?

„Als ik schrijf denk ik nooit aan lezers of een specifiek publiek. Dat komt pas als het boek af is. De vegetariër wordt in verschillende landen anders begrepen. Nederlandse lezers lachten om de eerste zin [‘Voordat mijn vrouw vegetariër werd, had ik haar in alle opzichten altijd volstrekt oninteressant gevonden’, red.], Turkse lezers bijvoorbeeld niet. Maar de ironie van het boek werd overal opgepikt.

„Voor Mensenwerk maakte ik een uitzondering en schreef ik voor het eerst juist voor een zo breed mogelijk publiek, omdat ik mijn gevoelens en ervaringen wilde overbrengen aan anderen. Ik merkte dat dit gelukt was toen ik buiten Zuid-Korea over het boek sprak. In het Verenigd Koninkrijk zagen lezers er bijvoorbeeld parallellen in met Bloody Sunday [toen Britse soldaten in 1972 in het Noord-Ierse Derry veertien ongewapende mannen neerschoten, red.]. Ze zeiden: ‘Dit is ook ons verhaal’.

„Ook vond ik dat er nog niet genoeg was gerouwd om Gwangju. Veel jongeren in Zuid-Korea weten niet eens van deze massamoord – ook door pogingen van de overheid de herinnering uit te wissen – en voelen daardoor dit historische leed en onrecht niet. Ik hoop dat Gwanju ooit zoiets zal betekenen als absoluut geweld beantwoorden met absolute waardigheid.”

Eind 2016 kwam bleek de Zuid-Koreaanse president Park Geun-hye betrokken bij corruptie-schandalen. De Zuid-Koreanen namen dit niet en gingen elke zaterdag massaal de straat op om vreedzaam het afzetten van Park te eisen.

U nam deel aan deze geweldloze ‘kaarslichtwakes’, die leidden tot de afzetting van Park. Biedt dit vreedzame protest hoop voor de toekomst?

„Die wakes behoren tot de mooiste ervaringen uit mijn leven. De straten en metrostations waren afgeladen, wat niet in woede of geweld resulteerde. Integendeel, mensen waren vriendelijk en deelden snoep uit. De wakes hebben me zeer hoopvol gestemd.”

De schrijver Arnon Grunberg, een bewonderaar van uw werk, noemde ‘De vegetariër’ een ‘post-humanistisch’ boek. Kunt u zich daarin vinden?

Han denkt lang na en zegt tot slot: „Als dat betekent dat we voorbij en groter dan enkel de mensheid denken, dan wel. Ik ben nog steeds bezig met de vraag wat het betekent om mens te zijn, om als een mens te zien. Het boek zelf biedt geen antwoorden, maar werpt vooral vragen op. Van een specifieke definitie van een mens is geen sprake.”

    • Casper van der Veen