Hoe sorteren van de soort uitdraaide op rassenwaan

Wereldwijd racisme

De mens bedenkt al heel lang redenen om ‘minderen’ hun plaats te wijzen. In de zeventiende eeuw kwam daar een nieuwe bij: ras. Eerst was dit alleen een manier om uiterlijke verschillen te benoemen. Maar allengs werd huidskleur een maat voor menselijke waardigheid.

Een tableau uit ‘Types of Mankind’ door Josiah C. Nott and George Gliddon, Philadelphia,1854. Nature Picture Library/Hollandse Hoogte

Een billboard langs de snelweg in Arkansas verkondigt: ‘Diversity is white genocide’. Marcherende neo-nazis in Charlottesville, Virginia, scanderen: ‘Jews will not replace us’. Nederlanders zetten op internet collages met het hoofd van Sylvana Simons in een strop van gemaskerde Klansmen.

Het gebeurt ook elders. In Zuid-Koreaanse media staan pleidooien voor bescherming van ’s lands ‘zuivere bloed’ tegen ‘bastaardisering’ door de instroom van arbeidskrachten uit armere landen in Azië. En Afrikaanse studenten in de Volksrepubliek China ervaren minachting voor hun zwarte huid.

De wereld wordt al decennialang opgeschud door postkoloniale migratiestromen. In immigratielanden wekt dit vooral onrust bij groepen met een zwakke maatschappelijke positie. Zij verwoorden hun onzekerheid nogal eens met denigrerende uitlatingen over immigranten. Daarbij steekt een boze geest de kop op die sinds de Tweede Wereldoorlog, althans in Europa, zo goed als uitgedreven leek: racisme.

In het verhitte westerse migratiedebat bestaat enige verwarring. Nieuwkomers zijn geneigd elke uiting van onvrede met hun komst en elke vorm van discriminatie ‘racisme’ te noemen. Ten onrechte. Dat sollicitatiebrieven die zijn ondertekend met islamitisch klinkende namen vaker worden genegeerd, is geen kwestie van racisme. Zo’n sollicitant wordt gediscrimineerd om zijn/haar cultuur of religie, niet op grond van uiterlijke kenmerken, zoals huidskleur, oogvorm of haartype. En juist daarmee nemen racisten anderen de maat.

Een andere misvatting is dat het racistische ideeëngoed alleen leeft in het Westen. Dat misverstand is begrijpelijk, want de 20ste-eeuwse uitwassen van westers racisme – Holocaust, Amerikaanse rassensegregatie, Zuid-Afrikaanse apartheid – zijn nog steeds gegrift in het wereldgeheugen. Al is de ideologie nergens met zoveel wetenschappelijke pretenties omgeven als in Europa en de VS, racisme is een mondiaal verschijnsel geworden. Het vindt een vruchtbare bodem in niet-westerse opvattingen over aangeboren ongelijkheid tussen mensen.

Wat is racisme nu precies? Audrey Smedley, emeritus hoogleraar antropologie aan de Virginia Commonwealth University, schreef het boek Race in North America – Origin and Evolution of a Worldview (2011). Zij formuleerde de volgende definitie: „Racisme is iedere handeling, praktijk of overtuiging die een afspiegeling is van de ideologie dat mensen kunnen worden ingedeeld in exclusieve biologische categorieën die ‘rassen’ worden genoemd, dat er een oorzakelijk verband is tussen erfelijke fysieke kenmerken aan de ene en persoonlijkheidskenmerken, intelligentie, moraliteit en andere culturele en gedragskenmerken aan de andere kant, en dat sommige rassen van nature superieur zijn aan andere.”

De mens beschikt sinds de egalitaire tijden van jagen en verzamelen over een nagenoeg onbeperkt arsenaal aan manieren om onderlinge ongelijkheden te benoemen en ‘minderen’ hun plaats te wijzen: van status en verwantschap tot religie en cultuur. In de vroegmoderne tijd kwam daar in Europa het begrip ‘ras’ bij. Dat gebeurde nota bene in het tijdvak van de Verlichting, toen voor het eerst de gelijkheid van allen werd geponeerd tegenover de pretenties van absolute vorsten (‘bij de gratie Gods’) en aristocraten (‘blauw bloed’).

Nieuwe continenten

Die gelijktijdigheid heeft te maken met de vele gezichten van de Verlichting. Europeanen ontdekten nieuwe continenten en dat veranderde hun wereldbeeld. In Amerika en Afrika leefden blijkbaar volken waarover zowel de Bijbel als de schrijvers van de Oudheid hadden gezwegen. Die ontdekking riep allerlei vragen op. Waren Afrikanen, Aziaten en inheemse Amerikanen ook nakomelingen van Adam, waren zij afzonderlijk geschapen of waren zij, zoals de Verlichtingsfilosoof John Locke opperde, het resultaat van een langdurig samenleven van mensen en apen? In 1684 deelde de Franse geneesheer en reiziger Francois Bernier, lijfarts van de Groot-Mogul van India, in zijn traktaat Nouvelle division de la terre par les différentes espèces ou races qui l’habitent de mensheid in in vijf ‘soorten’ dan wel ‘rassen’. Hij benoemde die als ‘wit’, ‘zwart’, ‘bruin’, ‘rood’ en ‘geel’. Daarmee gaf hij zich als eerste Europese auteur rekenschap van de diversiteit van de menselijke soort en introduceerde hij de term ’ras’ om daaraan uitdrukking te geven.

Al is de ideologie nergens met zoveel academische pretenties omgeven als in het Westen, racisme is een mondiaal verschijnsel

De plantages in de Nieuwe Wereld werden, na mislukte experimenten van de Spanjaarden met indiaanse arbeidskrachten, bevolkt met Afrikaanse slaven. Hun in het oog springende aanwezigheid in de Amerikaanse koloniën vroeg om duiding. Er zijn onder historici twee gangbare opvattingen over het verband tussen rassenindelingen en slavernij. Volgens de ene kwamen die laatste pas echt in zwang aan het eind van de 18de eeuw, als reactie op de steeds luidere roep om afschaffing van de slavernij. Volgens anderen ontstonden indelingen van de mensheid naar huidskleur al een eeuw eerder, juist om de aanwezigheid van slaven in de Amerikaanse koloniën te duiden.

In de zeventiende eeuw zagen Europeanen de transatlantische slavenhandel nog op één lijn met die van de antieke Romeinen en de vroegmoderne Ottomanen en speelde de huidskleur van Afrikaanse slaven geen rol. Eenmaal vrij hadden zij in de koloniën aanvankelijk dezelfde status als Europeanen. Maar geleidelijk veranderde de zelfdefinitie van Europeanen in de Nieuwe Wereld, van ‘christen’ naar ‘wit’. Aan de Noord-Amerikaanse oostkust begon deze verschuiving onder kolonisten die uit Barbados, de eerste Britse plantage-economie met slavenarbeid, naar Carolina trokken en die zichzelf ‘wit’ noemden om zich te onderscheiden van hun zwarte slaven. In de loop van de achttiende eeuw veranderde de slavernij van karakter; het werd steeds meer een raciaal gelegitimeerd instituut dat ‘superieure’ blanken’ het volste recht gaf om te beschikken over ‘inferieure’ zwarten.

De historicus Devin Vartija, promovendus aan de Universiteit Utrecht, werkt aan een dissertatie over rassenindelingen in vroegmodern Europa. Hij erkent dat er een verband bestaat tussen zulke indelingen en slavernij, maar volgens hem is dat niet het hele verhaal. De ontdekkingsreizen prikkelden niet alleen imperialistische fantasieën en commerciële ondernemingen als de slavenhandel, maar ook vormen van vrijdenken die zorgden voor een geleidelijke ondermijning van het religieuze wereldbeeld.

De Ontdekkingen prikkelden vormen van vrijdenken en zorgden zo voor een ondermijning van het religieuze wereldbeeld

Vartija: „In de late 17de eeuw treedt een verschuiving op in het denken over verschillen tussen mensen: van religieuze verschillen naar een ‘rationeel’ onderscheid in ‘natuurlijke kenmerken’.” Vartija schrijft die verandering toe aan het groeiende besef dat ook de mens deel is van de natuur. „Voor achttiende-eeuwse anatomen gingen verschillen tussen rassen meestal niet dieper dan de huid. En menig ‘naturalist’ was op morele gronden tegenstander van de slavenhandel. Toch zien we in de Verlichting niet alleen pleidooien voor gelijkheid, maar ook verhandelingen over aangeboren ongelijkheid.” Bernier had al lovend geschreven over de ‘witte’ (en islamitische) Groot-Mogul en misprijzende passages gewijd aan de ‘bruine’ hindoebevolking.

‘De vijf rassen der mensheid’, illustratie uit een Duits tijdschrift, 1911. Hollandse Hoogte

Geestelijke vermogens

In de negentiende eeuw zou deze lijn van witte suprematie worden doorgetrokken en zouden mensenrassen niet alleen worden onderscheiden naar huidskleur en haartype, maar ook naar veronderstelde geestelijke vermogens. De wetenschappelijke drang om los te breken uit een religieus wereldbeeld (‘christenen’ vs. ‘heidenen’) en om ‘de natuur’ - en dus ook mensen - te ordenen verwerd tot een pseudowetenschappelijke legitimatie van slavernij en koloniale onderdrukking. In de 19de-eeuwse – en deels nog 20ste-eeuwse – Europese literatuur wordt de niet-westerse wereld bevolkt door ‘wilden’, ‘negers’ en ‘inlanders’, wier onbeschaafde driften beteugeld moeten worden met een Europese ‘beschavingsmissie’.

Antropologe Audrey Smedley schreef in 2011: „Sinds de tweede helft van de 20ste eeuw wordt erkend dat de notie van biologisch ras een culturele uitvinding is, zonder enige wetenschappelijke grondslag.” Toch is er een opvallend verschil tussen Europa en de Verenigde Staten. Het woord ‘ras’ is na de Shoah uit het vocabulaire van de Oude Wereld geschrapt, maar in de VS geldt het niet als politiek incorrect. In Europa wordt hooguit nog geschreven over de geringe genetische verschillen tussen ‘wat vroeger rassen heetten’ en sociale wetenschappers noemen ras een ‘sociale constructie’. In de VS is het echter een weerbarstige sociale werkelijkheid. Er verschijnen nog regelmatig academische verhandelingen met het in Europa verfoeide R-woord in de titel, ook van zwarte auteurs. ‘Ras’ slaat in de VS overigens uitsluitend op Afro-Amerikanen. Indianen zijn ‘Inheemse Amerikanen’ en Aziaten en Latino’s (Mexicanen, Cubanen en Puertoricanen) heten tegenwoordig ‘etnische groepen’.

Biologen hebben de term ‘sociale constructie’ intussen genuanceerd. Zij onderscheiden wel degelijk populaties, onderafdelingen van een soort die verschillen in de frequentie en volgorde van bepaalde genen. Ook al hebben menselijke populaties in de loop van de geschiedenis zóveel geografisch isolement ervaren dat er uiteenlopende genenfrequenties ontstonden, er had altijd uitwisseling plaats met andere populaties en daardoor bleven ze één soort, Homo sapiens. Omdat genen onafhankelijk van elkaar kunnen variëren, kun je mensen classificeren aan de hand van één bepaald gen (of expressie daarvan). Zo zijn verschillende populaties in uiteenlopende mate bevattelijk voor bepaalde ziekten. Maar huidskleur correleert niet sterk met bloedgroep of haartype, en zo bezien zijn alle rassenclassificaties arbitrair.

Racisme is lang gezien als een westers stelsel van overtuigingen dat wortelt in de hiërarchische wereldorde die ontstond aan het eind van de 18de eeuw. Toch is racisme een mondiaal verschijnsel. Niet-westers racisme is niet louter het resultaat van verwestersing, omdat elites zich overal in de wereld zouden identificeren met ‘wit’ en de daaraan toegeschreven status. Dat is een vorm van eurocentrisme. Etnische superioriteitsgevoelens, geassocieerd met huidskleur of andere uiterlijke kenmerken, hebben ook in Azië en Afrika diepe wortels, die teruggaan op inheemse morele, sociale en cognitieve tradities. Die vormden een vruchtbare bodem voor biologisch beargumenteerde voorstellingen van ‘ras’ uit het Westen.

Voor China is dit proces beschreven door de Nederlandse historicus Frank Dikötter, hoogleraar aan de universiteit van Hongkong, in zijn dissertatie The Discourse of Race in Modern China (1992). De stereotypering van Chinezen als het ‘gele ras’, schrijft hij, is geen Europese uitvinding. In China had de kleur geel een positieve connotatie lang voordat raciale denkbeelden doordrongen vanuit Europa. Geel gold er als een van de vijf ‘zuivere kleuren’ en symboliseerde het Middelpunt, het keizerschap.

Vroege reizigers, van de antieke wereld tot Middeleeuwers als Marco Polo en Giovanni da Pian del Carpine, en ook Arabische kooplieden, hadden het nooit over ‘gele mensen’. De eerste Europese missie naar het hof van de Tsjing-dynastie, in 1655, beschreef de huidskleur van de Chinezen als ‘blank, ‘net als Europeanen’, met uitzondering van zuiderlingen, die een ‘lichtbruine’ huid hadden. Europeanen gingen de Chinezen pas ‘het gele ras’ noemen – Bernier was de eerste - aan het einde van de 17de eeuw als een reactie op verslagen van Jezuïeten uit China die schreven over de symbolische waarde die de kleur geel ginds had.

‘Geel’ ras als bindmiddel China

Een uitgesproken racistisch ideeëngoed ontstond in China pas in de late negentiende eeuw, na de nederlagen van het keizerrijk tegen opdringende Europese mogendheden in de Opium Oorlogen (1839-1860) en in de oorlog met Japan (1894-’95). Hervormers als Liang Qichao (1873-1929) ontleenden aan het westerse discours van die dagen hun visie van de wereld als een strijdperk waar verschillende ‘rassen’ (zhong) vochten om te overleven. ‘Witten’ en ‘gelen’ bestreden elkaar om de suprematie over gedegenereerde ‘bruinen’, ‘zwarten’ en ‘roden’. Zo werd onder hervormers het idee van een ‘geel ras’ (huangzhong) een nationaal bindmiddel dat rangen, standen, clans en regio’s oversteeg. De revolutie tegen de Tsjing-dynastie in 1911 werd gerechtvaardigd met het argument dat dit een geslacht was van inferieure Manchu, terwijl alle Chinezen deel waren van het homogene Han-ras, nakomelingen van de legendarische Gele Keizer. Sun Yat-sen, die een einde maakte aan het keizerrijk, sprak van een ‘ras-natie’.

De Chinees-Amerikaanse Amy Chua, auteur van non-fictieboeken als Empire for a day (2008), ziet het als belemmering voor China’s grootmachtambities dat het een natie is op etnische grondslag, het tegendeel van een immigrantennatie als de VS. „Ik heb mijn dochters meegenomen naar China. Ze spreken vloeiend Mandarijn, ze houden van Chinees eten en van de Chinese cultuur en zien er een beetje Aziatisch uit. Ik herinner me dat mijn dochter van zes zei: ‘Mamma, jij bent de enige Chinees die vindt dat wij Chinezen zijn. Niemand in China vindt dat’.”