Het venijn van alledaags racisme

Openlijk en subtiel racisme

Onverhuld racisme is in het Westen op zijn retour, maar zeker niet verdwenen. Het maakt plaats voor subtielere varianten: onderschatten, wantrouwen, mijden of botweg negeren.

Jongeren spreken zich uit tegen raciale vooroordelen.

Ana is een Braziliaanse journaliste van Afrikaanse afkomst. Als ze na een uitgelopen interview rond middernacht terugkomt in haar hotel in Rio de Janeiro, noemt ze de baliemedewerker haar kamernummer. In plaats van de sleutel te geven belt hij naar de kamer, knipoogt naar haar en zegt: ‘hij geeft geen antwoord’. Zij zegt met nadruk: ‘dat is mijn kamer’. Hij bloost en geeft haar de sleutel. Haar uitleg achteraf: „Hij zag een goed geklede negra die zich midden in de nacht meldde en nam meteen aan dat ik een prostituée was.”

Is dit racisme? Ja, het is de hedendaagse, subtiele variant.

Het verhaal van Ana is een van de vele persoonlijke getuigenissen uit het boek: Getting respect (2016). Het is een vergelijkende studie door zeven sociologen van uitsluiting, racisme en discriminatie in de Verenigde Staten, Brazilië en Israël, gebaseerd op zo’n 400 interviews. Met zwarte Brazilianen en Afro-Amerikanen, met Palestijnse Arabieren en met Ethiopische en Noord-Afrikaanse immigranten in Israël. De studie is geredigeerd door Michèle Lamont, hoogleraar sociologie aan Harvard.

Lamont c.s. maken onderscheid tussen ‘openlijk’ (blatant) en ‘subtiel racisme’. De eerste variant betreft het hele scala van openlijke belediging tot en met fysieke agressie. In de VS was dat lang geaccepteerd, maar op den duur ontstond een taboe. Beledigende opmerkingen bleven vaker achterwege; het werd de sociale norm dat dit niet meer kon. Dat wil niet zeggen dat er minder racisme is, mensen uiten het alleen minder openlijk. Onverhuld racisme duikt de kop weer op in situaties waarin krachtsverhoudingen verschuiven, bijvoorbeeld als een overwegend blank sportteam wordt verslagen door een in meerderheid zwart team.

Volgens de auteurs zijn voor openlijk racisme subtielere vormen in de plaats gekomen. Bijvoorbeeld: jouw bedoelingen als lid van een minderheid worden niet begrepen of zelfs gewantrouwd, mensen kunnen zich niet voorstellen dat jij een goede positie bekleedt, bij bediening in de horeca en bij sollicitaties word je overgeslagen of domweg genegeerd. De auteurs noemen zulk door vooroordelen ingegeven gedrag ‘micro-agressie’. Zoals de receptionist die Ana voor een hoer hield.

De vergelijkende studie van Lamont c.s. laat zien dat stigmatiserend en discriminerend gedrag sterk verschilt in de onderzochte landen. In Israël, waar het regelmatig tot gewelddadigheden komt tussen joden en Palestijnen, gelden de laatste als ‘interne vijand’, een extreem geval van animositeit. In de VS is er sprake van ruimtelijke segregatie van bevolkingsgroepen en komen zwart en blank elkaar zelden tegen. Amerikaanse zwarten hebben een lange geschiedenis van zelforganisatie en zijn deels doorgedrongen tot de middenklasse. Dat geldt veel minder voor Brazilië, waar de meeste zwarten behoren tot de maatschappelijke onderkant en weinig sociale cohesie kennen.

In de literatuur is racisme een bepaalde ideologie en slaat discriminatie op gedrag

Hoe liggen de verhoudingen in Nederland? Juliette Schaafsma bekleedt aan de Tilburg University de leerstoel ‘Cultures in Interaction’. Zij buigt zich als sociale wetenschapper over conflict en verzoening tussen culturele en etnische groepen en deed onderzoek naar uitsluiting en discriminatie. Aan haar de vraag of racisme in Nederland op zijn retour is, of veeleer van vorm is veranderd.

Schaafsma: „Ik betwijfel of racisme op zijn retour is. In oude schoolboeken, of oude stripverhalen zoals Sjors en Sjimmie, worden negers afgebeeld als dom of nogal primitief. Dat kan niet meer. Dat zwarten van nature dommer zijn dan blanken hoor je niet meer zo vaak. Wel worden tegenwoordig de islam en moslims vaak negatief afgeschilderd. Groepen worden nog steeds gezien als superieur of inferieur, maar dan gaat het niet meer om biologische kenmerken, maar om religie en cultuur.”

Dat is verwarrend, want racisme had vanouds betrekking op uiterlijke groepskenmerken. Schaafsma: „In mijn ogen wordt een discours racistisch zodra het gaat over inferieur en superieur, als bepaalde groepen hun menselijkheid wordt ontnomen en op grond daarvan ongelijkheden worden goedgepraat. Als bijvoorbeeld wordt gezegd: ‘dat …. – vul maar in - niet succesvol zijn, is hun eigen schuld’.”

Lees hier over de opkomst van racisme

In het alledaagse spraakgebruik worden termen door elkaar gebruikt: vooroordelen, stereotypen, discriminatie, racisme. Schaafsma: „Dat is zo. We gooien dat allemaal op één hoop. In de literatuur is racisme een bepaalde ideologie en slaat discriminatie op gedrag: onderscheid maken tussen mensen op basis van achtergrond of uiterlijk en hen daarom ongelijk behandelen. Stereotypen zijn de beelden die mensen hebben van andere groepen. Bijvoorbeeld: Marokkanen zijn agressief. Vooroordelen zijn de emoties die mensen daarbij hebben. Zoals: ik ben bang voor Marokkanen of: zij zijn een bedreiging.”

De vraag is nu hoe je de subtielere vormen van racisme in kaart kunt brengen en hoe een en ander werkt op individueel niveau. Er bestaan verschillende tests om te meten of mensen vooroordelen hebben over andere groepen. De bekendste is de door onderzoekers aan Harvard ontwikkelde Implicit Association Test (IAT) (zie inzet).

Maar er zijn meer manieren, zegt Schaafsma. „Bijvoorbeeld met een gevoelsthermometer. Als je aan Nederlanders denkt, wat voel je daar dan bij, op een schaal van 0 tot 100. Zo kun je kijken hoe de eigen groep scoort, en hoe andere groepen scoren. Je kunt ook rechtstreeks naar gevoelens vragen die mensen hebben bij bepaalde groepen. Om meer subtiele vormen van racisme te meten is ook wel gekeken hoe mensen bij andern het onbelangrijke waarderen, bijvoorbeeld hun manier van kleden, of de nationale keuken. Overwaarderen van het onbelangrijke zou duiden op een ontkenning van eigen vooroordelen. Dat overtuigt mij niet zo. In de VS wordt ook gekeken in hoeverre mensen ongelijkheid rechtvaardigen. Dat zwarten vaak werkloos zijn, is bij wijze van spreken hun eigen schuld. ‘Als ze maar willen’.”

    • Dirk Vlasblom