Column

Heel menselijk in het verpleeghuis

‘Hoor je dat? We krijgen waardering.” Het klonk niet ironisch, laat staan cynisch – gewoon twee vrouwen die goed nieuws uitwisselden waarop niet was gerekend. En ik had de verzorgsters alleen maar gezegd dat ze zo goed voor mijn schoonmoeder hadden gezorgd. Mijn schoonmoeder die op sterven lag en die het hier anderhalf jaar lang aan vrijwel niets had ontbroken. Daar was ik dankbaar voor en ik keek ervan op dat zulke woorden zo veel indruk maakten. Terloops geuit, haast in het voorbijgaan in de woonkamer van het verpleeghuis, en toch: een opkikker van jewelste.

Raar, of had ik beter moeten beseffen dat ik me hier zo ongeveer onderaan de nationale waarderingsladder bevond? Daar had ik, tot het laatste uur van mijn schoonmoeder aanbrak, nauwelijks bij stilgestaan. De zorg, de toewijding, de haast overdreven properheid had ik domweg niet op één lijn gesteld met alle berichtgeving over ‘onmenselijke’ toestanden in de verpleeghuizen. De vrouwen (en enkele mannen) waren er juist extreem menselijk geweest, heel Amsterdams in een mix van Hollands, Marokkaans en vooral Surinaams.

Een week na het laatste uur van mijn schoonmoeder vormden ze een erehaag bij de uitgang. Traditie van het huis, oké, maar aan niets merkte ik plichtmatigheid. Ik zag dezelfde persoonlijke toets die mij zo vaak had getroffen: de toets van er in alle opzichten het beste van willen maken. Van de dementerende clientèle daadwerkelijk willen kennen. Van een streven naar alertheid en schoonheid en samen verhalen vertellen, samen filmpje kijken, samen naar Artis. Diezelfde toon hoorde ik afgelopen dinsdag in de gang, bij de erehaag van zwarte en witte verzorgsters en hoofddoeken rond de kist.

Eén van hen was op haar vrije dag hierheen gekomen voor een laatste, ceremoniële groet, echt waar.

Mijn schoonmoeder had nooit geklaagd en ook nu ze niet meer kon klagen, nu ze hier onzichtbaar lag te zwijgen, werd ze toegesproken als de bijzondere vrouw die ze was geweest. De karakterschets, voorgelezen met een brok in de keel, kwam niet uit een boekje; ze was niet gesouffleerd door mijn vrouw, ze klonk oprecht en het klopte van begin tot eind.

In een zorginstelling als deze is het een komen en gaan van bewoners, zou je zeggen, dood is er business as usual. Maar bij sommige verzorgsters stonden de tranen in de ogen. Veel menselijker dan in dit huis in Oost lijkt me niet goed mogelijk. Laverend tussen administratieve rompslomp en personeelstekort – de bekende problemen – stiefelden de vrouwen aan de Van ’t Hofflaan onvermoeibaar heen en weer onder dikwijls homerisch Surinaams gelach.

Het is zwaar werk: telkens weer doordringen tot verwarde ouderen die hun wensen nauwelijks nog kenbaar kunnen maken. Maar hoe zwaar ook, overspannen verzorgsters ben ik niet tegengekomen; hongerige wel: meer dan eens zag ik er eentje vertrekken die tussen het reinigen van patiënten met ‘ongelukjes’ door niet aan eten was toegekomen. Zo’n bedankje van mij stelt dan relatief niks voor.

Auke Kok is schrijver en journalist.