Recensie

Een stad op de kaart van de verbeelding

Dertig jaar werkte Gray aan wat een van de grootste Schotse romans zou worden. Een coming-of-age roman, een ode aan Glasgow én een surrealistisch verslag van een tocht door een hel.

Glasgow in 1955. Zowel schrijver Alasdair Gray als zijn hoofdsperoon Duncan Thaw groeiden op in de naoorlogse Schotse industriestad. Foto Haywood Magee/Getty

Goede literatuur dringt zich meedogenloos aan je op, klimt je hoofd binnen, kijkt door je eigen ogen weer naar buiten. En het zijn niet de personages die je hoofd binnendringen, het is de schrijver zelf.

Alasdair Gray weet dat. Meteen in het eerste hoofdstuk van zijn roman Lanark krijgt de dan nog jonge titelheld carrière-advies van een zekere Sludden. Je moet je in de kunsten bekwamen, houdt Sludden Lanark voor. Maar, voert Lanark aan, ‘ik heb mensen niets te vertellen.’ Sludden antwoordt lachend: ‘Je hebt geen woord begrepen van wat ik heb gezegd. […] Een kunstenaar vertelt mensen geen dingen, hij drukt zichzelf uit. Als hijzelf ongewoon is, schokt of prikkelt zijn werk mensen. Hoe dan ook dringt het zijn persoonlijkheid aan hen op.’

En dus zitten we zeshonderd pagina’s lang met de persoonlijkheid van Alasdair Gray op onze schoot en in ons hoofd. Toen Gray (Glasgow, 1934) in 1981 met Lanark debuteerde had hij er bijna dertig jaar aan gewerkt. Hij had er zijn ziel en zaligheid en een groot deel van zijn eigen leven in gestopt. Inmiddels geldt het boek als een van de grootste Schotse romans. Het is een coming of age-roman én een surrealistisch verslag van een tocht door een duistere hel.

‘Een leven in vier boeken’ luidt de ondertitel. Boek Een en Twee bevatten de coming of age-roman, waarin het leven van Duncan Thaw wordt beschreven. Thaw is geen innemend personage: weerbarstig, seksueel gefrustreerd, niet bereid iets van iemand te leren, een einzelgänger uit trots én onvermogen. Net als zijn schepper Gray groeit hij op in het naoorlogse Glasgow en studeert hij daar aan de kunstacademie.

Gefantaseerde moord

Na een al dan niet gefantaseerde moord loopt hij de zee in, en dan volgt (in Boek Drie en Boek Vier) het bizarre gedeelte van de roman: een man die Lanark heet arriveert per trein in een van daglicht verstoken stad die Unthank blijkt te heten. Hij leert een aantal mensen kennen, onder wie Sludden, die hem het eerder genoemde carrière-advies geeft. Lanark vindt nergens aansluiting en laat zich door de grond opslokken om vervolgens in het Instituut te belanden, een reusachtig ondergronds complex waar hij uiteindelijk dokter wordt en een meisje geneest dat Rima heet. Samen met haar verlaat hij het Instituut. Na een tocht door Escher-achtige landschappen, waar tijd en ruimte hun eigen gang gaan, belanden ze weer in Unthank.

Zo’n samenvatting doet Lanark eigenlijk geen enkel recht, al was het maar omdat Gray zijn roman begint met Boek Drie, de aankomst van Lanark in Unthank. Deel Een en Twee, de coming of age-roman over Duncan Thaw, vormen het hart van het boek, dat besluit met Boek Vier. Er is ook nog een Proloog en een Epiloog, maar niet op plekken waar je ze zou verwachten.

Is Lanark een ingewikkeld boek? Nee, voor de lezer die bereid is zich mee te laten voeren (en er zouden geen anderen moeten zijn) wijst het zich allemaal vanzelf. De mysterieuze Lanark is een vervolgversie van Thaw, die na diens zelfgekozen dood terechtkomt in het duistere Unthank, een onderwereldversie van Glasgow.

Lanark is een weerbarstig, maar vooral rijk boek. Gray wil met zijn roman voor Glasgow doen wat Joyce met Ulysses voor Dublin deed. Hij wil zijn stad op de kaart der verbeelding zetten, om haar te behoeden voor de vergetelheid van het alledaagse. Een stad zal pas bestaan als hij door kunstenaars is verbeeld, beweert kunstacademiestudent Thaw. Tegen zijn vader verwoordt hij zijn ambities aldus: ‘Ik wil een moderne Goddelijke Komedie schrijven met illustraties in de stijl van William Blake.’ Het boek waarin we dat lezen is het boek dat we in handen hebben, tot aan de illustraties aan toe.

In Lanark speelt Gray niet alleen met zijn eigen autobiografie en ambitie, maar ook met de roman als vorm. Door de eigenaardige volgorde van de delen en de atypische plaatsing van Pro- en Epiloog wordt duidelijk dat je geen verhaal leest, maar een verhaal dat geschreven is. De schrijver is altijd aanwezig, op een gegeven moment zelfs letterlijk: in de Epiloog ontmoet Lanark zijn schepper, de schrijver zelf, die zich ervan bewust is dat dit geen originele truc is, hij verwijst dan ook naar andere boeken waarin de schrijver zelf optreedt.

Het is inderdaad al eerder vertoond maar de flair waarmee Gray de schrijver als personage opvoert vergoedt alles. Die Epiloog is het hoogtepunt van het boek, ook omdat in de marges een ellenlange en niet altijd betrouwbare opsomming-met-uitleg wordt gegeven van alle ontleningen aan andere schrijvers die in Lanark zijn verwerkt, van Kafka tot Flann O’Brien. Je zou Lanark postmodern kunnen noemen, maar je zou het boek ook gewoon kunnen beschouwen als een van die romans die niet net doen of ze onstoffelijke verhalen zijn, romans die de samenzwering met de lezer aangenaam ver weten door te voeren.

Het is jammer dat de Nederlandse vertaling hier en daar tekortschiet. De vertaler blijft dichtbij het Engels, wat stroeve zinnen oplevert, en verschillende malen lijkt hij woord voor woord te vertalen, zonder oog voor de context. (Eén voorbeeld: rusty fence wordt vertaald als ‘roestige schutting’ in plaats van een ‘roestig hek’.) Het woord engineer blijft vreemd genoeg onvertaald, hier en daar ontbreken vraagtekens, ergens is micro- phone vertaald als ‘microscoop’ – kortom, je krijgt de indruk dat zowel vertaler als uitgever te veel haast hebben gehad.

Wat onverlet laat dat het goed is dat ook de Nederlandse lezer kennis kan maken met de wereld(en) van Thaw en Lanark en de persoonlijkheid van Alasdair Gray. De persoonlijkheid van een eigengereide schrijver is als een Steen der Eigenwijzen die alles wat hij aanraakt in literatuur verandert. Gray is zo’n schrijver en Lanark is meer dan een roman, het is een gebeurtenis, een van die boeken die vol zelfvertrouwen wacht op de volgende generatie lezers, in de wetenschap dat het die generatie hoe dan ook niet onberoerd zal laten.