Column

De onzin van hippe boektitels

Michel Krielaars

Ineens stel ik me voor hoe Pierre Choderlos de Laclos zich omdraait in het graf waarin hij al sinds 1803 rust. Les liaisons dangereuses, zijn magistrale brievenroman over verleiding, wraakzucht en meedogenloosheid, behoort tot de klassiekers van de wereldliteratuur. Het boek is zelfs verfilmd, zodat ook niet-lezers erover kunnen meepraten. Over zijn literaire succes zul je hem postuum niet horen klagen. Maar wat gebeurt er als hij de nieuwe vertaling van zijn boek in handen krijgt, die als titel heeft Riskante relaties?

Op de vertaling van de vindingrijke Martin de Haan is waarschijnlijk niets aan te merken, maar op die titel des te meer. Riskante relaties klinkt tenslotte meer naar een folder voor een ‘vrij veilig of vrij niet’-campagne dan naar een roman.

In 1960 is Choderlos de Laclos’ boek ook al eens vertaald. Toen luidde de titel: Gevaarlijke liefde. Niet slecht gekozen, omdat je hierbij tenminste nog aan verleiding en hartstocht denkt. Terwijl Riskante relaties eerder associaties oproept met vluchtige seks of risicovol beleggen.

Mijn ergernis werd nog meer gewekt toen ik las dat de nieuwe vertaling van Kafka’s Das Schloss in plaats van Het slot ineens Het kasteel heet. Nu is een slot hetzelfde als een kasteel, daarover valt niet te twisten. Maar anders dan een kasteel heeft een slot iets dreigends, geslotens en mysterieus. En daar gaat het Kafka juist om.

Om erachter te komen wat hij zelf van de verkrachting van zijn boek zou hebben gevonden, sloeg ik Sipko Melissens nieuwe essaybundel Kafka op Norderney er op na. En al meteen werd ik gerustgesteld toen ik een citaat van de door hem bewonderde schrijver las: ‘Hoe armzalig steekt mijn zelfkennis af bij wat ik bijvoorbeeld over mijn kamer weet.’ Zo’n zin vergoelijkt elke hip vertaalde boektitel, omdat mensen nu eenmaal zelden begrijpen waarom ze iets doen of laten.

Melissen reist Kafka in die essays achterna om de hiaten in te vullen in de driedelige biografie van Rainer Stach. Het geeft hem de vrijheid om er zijn fantasie op los te laten, en dat pakt mooi uit. Zo gaat hij per trein naar Venetië en Merano, waar de biograaf eerder het spoor bijster is geraakt. Melissen vraagt zich af wat Kafka las (Thomas Mann was zijn favoriete schrijver, dus waarom niet Der Tod in Venedig?). En hoe zat het met de liefde? Kafka schreef zich lam aan intieme bekentenissen aan Felice Bauer en Milena Jesenská, maar ging seks met die aanbeden vrouwen uit de weg.

In Kafka’s brieven aan Max Brod ontdekt Melissen dat de schrijver in Venetië meer voelde voor een ‘mooie gondelier’. Mogelijk uitte deze voorkeur zich wel op het fysieke vlak en kon Kafka de hoofse liefde op papier voor even vergeten.

Ook haalt Melissen W.F. Hermans aan, die in Merano toevallig op Kafka’s sporen stuitte, toen hij in Hotel Meranerhof, waar Kafka ook logeerde, aan de bar diens reïncarnatie zag zitten, ‘in het lichaam van een mooie jonge vrouw’. Melissen vermoedt in haar een mogelijke kleindochter van Kafka.

In het titelessay ‘Kafka op Norderney’ vertelt Melissen dat Kafka geraakt werd door de openingszin van Thomas Manns novelle Ein Glück: ‘Still! Wir wollen in eine Seele schauen.’ Door die woorden laat Melissen zich bij zijn zoektocht terecht leiden. En juist omdat die overgevoelige ziel van Kafka zo op slot zat, is Het kasteel zo’n ongelukkig gekozen titel.