‘Te veel wethouders treden voortijdig af’

Martin Knol Oud-wethouder In de periode 2010-2014 haakte 40 procent af. Volgens Martin Knol, jarenlang zelf actief in die functie, moet daar echt iets aan gebeuren.

De kans dat een wethouder voortijdig vertrekt, is behoorlijk groot. In de periode 2010-2014 haakte 40 procent af, om persoonlijke of politieke redenen. Gemiddeld waren dat drie wethouders per week – tweemaal zoveel als 25 jaar eerder. Dat schrijft oud-wethouder Martin Knol in Waarom Wethouder, dat deze donderdag verschijnt. Ook deze bestuursperiode, die eindigt in 2018, verwacht hij dat 40 procent de eindstreep niet haalt: „Echt een probleem.”

Knol sprak tientallen (oud-)wethouders, burgemeesters en gemeentesecretarissen voor zijn boek. Nederland heeft 1.428 wethouders.

Waarom dit boek?

„Toen ik was gestopt, dacht ik, al die ervaringen, daar moet ik iets mee doen. Ik zie zo veel wethouders in de problemen komen, te veel.”

Is dat te voorkomen?

„Daar ben ik van overtuigd. Je begint altijd onvoorbereid aan het wethouderschap. Je wordt het onverwacht; een benoeming hangt af van verkiezingen. Je zou gebruik kunnen maken van de ervaring van anderen, je zou kunnen sparren. Misschien dat mijn boek daar een bijdrage aan kan zijn.

„Ik ken mensen die een ideaal cv leken te hebben – kennis van de overheid, vaardigheden als voorzitter – maar toch mislukken als wethouder. Je moet in elk geval gevoel hebben bij de samenleving, je moet kunnen omgaan met burgers en politici. Het begint met sociaal vaardig, open en benaderbaar zijn, kunnen luisteren. Het eindigt bij leiding geven, beslissingen nemen en je daarvoor verantwoorden. Het gaat om draagvlak. Dat moet je weten te verwerven.”

Steeds meer wethouders treden af vanwege belangenverstrengeling, stelt u. Waar gaat het fout?

„In 2016 waren het er tien. Belangenverstrengeling op zich is niet toegenomen, denk ik. De manier waarop ernaar wordt gekeken, is veranderd. Kritischer. Het bestuur is transparanter geworden; feiten komen eerder aan het licht. Burgers vragen uitleg.”

Kent u voorbeelden?

„Ik heb het niet van nabij meegemaakt. Wat ik wel van dichtbij heb gezien, is wat je allemaal krijgt aangeboden. Flessen wijn, een tripje naar een of ander festival, een vakantieverblijf in een ver land en u-wilt-niet-weten-hoeveel kerstpakketten. Het gaat vaak niet om veel geld, maar je moet er wel weerstand aan bieden. In de tijd dat ik wethouder was, zijn er regels gekomen. Je moet beseffen dat je beïnvloedbaar bent.”

Zei u altijd nee?

„Ik ben eens op uitnodiging meegegaan naar een interlandwedstrijd. Ik heb dat toen vooraf open in het college besproken. In al die jaren in Zwolle had ik heel vaak bij [driesterrenrestaurant] de Librije kunnen eten; ondernemers willen je fêteren. Ik ben er in die zeven jaar twee keer geweest; één keer heb ik zelf betaald, de andere keer was op kosten van een aantal grote ondernemers, maar dat paste bij de bijeenkomst. Er was net een transactie gesloten – specifieker wil ik niet zijn. Het werkt niet als je altijd ‘nee’ zegt. Je moet wel kunnen uitleggen waarom je iets doet.”

Als je wethouder wordt, heb je iets uit te leggen, schrijft u. Had u dat ook?

„Om te beginnen moest ik het mijn eigen moeder uitleggen. Ik kwam uit het onderwijs. Ze begreep niet dat ik die veilige baan opgaf voor zo’n onzeker bestaan. Als je zo betrokken bent bij een stad is er niks mooier dan dat je je daarmee mag bemoeien en dat je er ook nog iets mee kunt bereiken.”

Versplintering in de politiek verandert het wethouderschap, schrijft u. Veertien fracties in plaats van zes vraagt nieuwe vaardigheden.

„Veel fracties, dat maakt het lastig. Raden dreigen babbelboxen te worden; het is moeilijk draagvlak te krijgen. Als wethouder moet je met je ambtenaren vooral zorgen dat je de leden faciliteert. Help ze bij het nemen van een goede beslissing.”

Sinds 2002, met het dualisme, hoeft een wethouder niet meer uit de raad of de gemeente te komen. U ging als een van de eerste wethouders aan de slag in een andere stad.

„Ik was daar heel kritisch over, totdat het mijzelf overkwam. Wethouder zijn was na acht jaar een vak voor mij geworden. Als ‘vakwethouder’ dacht ik: dat kan ik ook ergens anders zijn. Ik miste in het begin wel de lokale betrokkenheid. Ik ben in de binnenstad gaan wonen en heb veel rondgereden, om een gevoel te krijgen bij Zwolle.”

Martin Knol: Waarom Wethouder. Staatshuys, 144 blz. € 19,50