Ollongren lijkt nog beetje ambtenaar

Nieuwe minister van Binnenlandse Zaken

In haar debuut in de Kamer hield Kajsa Ollongren soepel stand. Maar haar verhaal over het referendum, ooit D66-juweel, was moeizaam.

Minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, D66) en Martin Bosma (PVV), donderdag bij het Kamerdebat over de begroting. Foto Bart Maat/ANP

De minister is toch zeker geen ambtenaar, vraagt SP-Kamerlid Ronald van Raak aan Kajsa Ollongren (D66) donderdag tijdens de begrotingsbehandeling Binnenlandse Zaken. Kan de minister niet gewoon zeggen of zij een referendum mogelijk wil maken over het kabinetsplan om het referendum af te schaffen. Ollongren bijt niet. Ze wil er „zorgvuldig naar kijken” en belooft de Kamer „zo snel mogelijk” iets te laten weten. De SP’er krijgt nu „het nare gevoel”, zegt hij, dat het kabinet de afschaffing snel wil doordrukken.

Ollongren is inderdaad geen ambtenaar. Ze is als vicepremier het belangrijkste gezicht van D66 in het kabinet. Maar ze is óók een debuterende minister in de Tweede Kamer met een verleden als topambtenaar.

Ze maakte carrière bij het ministerie van Economische Zaken, waarna ze vanaf 2011 drie jaar lang de hoogste ambtenaar was op het ministerie van Algemene Zaken van premier Rutte. Toen ze in 2014 overstapte naar de politiek, als wethouder en locoburgemeester in Amsterdam, kreeg ze aanvankelijk kritische recensies op haar ambtenaarachtige stijl.

In haar eerste optreden in de Tweede Kamer klonk donderdag de ambtenaar nog door: ze gaf soms procedurele antwoorden op politieke vragen, formuleerde voorzichtig en remde bij twijfel nadrukkelijk op tijd: „Ik vind deze vraag iets te precies om uit de losse pols te beantwoorden”, zei ze op een gegeven moment, nadat haar staatssecretaris Raymond Knops (CDA), die wel veel debaturen als Kamerlid op de teller heeft, haar had gesteund met een briefje.

Toch ging het debat over de begroting van Binnenlandse Zaken Ollongren over het algemeen soepel af. „Ik vlieg er doorheen”, constateerde ze zelf diep in de tweede helft.

Van vriend en vijand kreeg ze complimenten. „Ik was net nog boos op de minister, maar nu ben ik blij met de minister”, zei Van Raak. Hij had net de verzekering gekregen dat de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet bedoeld is voor de aanpak van nepnieuws.

PVV’er Martin Bosma, die vond dat Ollongren de gevangenis in moest, feliciteerde de minister „met het feit dat ze consequent is”.

Schadelijke vernieuwing

Moeilijke momenten had ze ook. Ze stond voor de ondankbare taak het kabinetsplan om het referendum af te schaffen te verdedigen, een pijnlijke concessie die haar partij D66 in de formatie heeft gedaan. Verschillende Kamerleden spoorden haar aan de referendumwet eerst te evalueren of aan te passen. Kan het referendum niet gewoon beter, meer D66-achtig? Ollongren wilde er niet aan. Ze zei dat het draagvlak is „uitgehold” en vindt dat de gang van zaken rond het Oekraïne-referendum „het vertrouwen in de politiek schade heeft toegebracht, terwijl democratische vernieuwing het omgekeerde moet doen”.

De belofte werk te maken van meer lokale burgerinitiatieven maakte weinig indruk. „We mogen over sportverenigingen en parkjes meebeslissen, maar op nationaal niveau niet”, zei Denk-Kamerlid Selçuk Öztürk.

Omgekeerd was Ollongren ook niet zo snel onder de indruk. Ze is sinds deze week de eerste vicepremier die in haar eerste Kamerdebat te horen kreeg dat ze opgesloten moet worden, volgens een Kamerlid. Ollongren stapte lichtvoetig heen over de inschatting van PVV-woordvoerder Bosma dat ze ooit een strafbare droom zou hebben gehad over een ‘Republiek Amsterdam’ als de PVV nog eens de meerderheid in de Kamer zou halen. „Ik neem geen afstand van Nederland, ik neem afstand van de denkbeelden van de PVV”, zei ze.

In de wandelgangen zei ze, napratend over haar debuut in het ministersvak: „Het debat is wel heel anders, vooral veel harder dan in Amsterdam.”

    • Pim van den Dool